ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3855 – In bezwaar overleg tussen toezichthouder en bezwaarbehandelaar. Geen vooringenomenheid: ‘het is niet ongebruikelijk dat [hangende BOB] informatie wordt ingewonnen bij de toezichthouder’. Geen omstandigheid die duidt op vooringenomenheid.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
Datum publicatie: 13 augustus 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:3855
Fragment:
Bevoegdheden toezichthouders
3. [appellante] betoogt dat het verslag van bevindingen van bewijsvoering moet worden uitgesloten, omdat de toezichthouders tijdens de controle op 11 februari 2021 in strijd met artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben gehandeld. Zij voert aan dat de toezichthouders buiten hun bevoegdheid zijn getreden door toezicht te houden op het Arbeidsomstandighedenbesluit, terwijl zij niet bevoegd waren om daar toezicht op te houden. Daarnaast hebben de toezichthouders volgens [appellante] geen gericht toezicht gehouden, maar een zogenoemde fishing expedition uitgevoerd door zoveel mogelijk beweerdelijke overtredingen in het verslag van bevindingen op te nemen, terwijl een aantal van de vermelde wetsartikelen niet op [appellante] van toepassing zijn.
3.1. Artikel 5:13 van de Awb luidt: “Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.”
3.2. Deze procedure gaat over de rechtmatigheid van het handhavend optreden door het college wegens overtredingen van het Bouwbesluit 2012 en de Wet milieubeheer. Het verslag van bevindingen van de controle op 11 februari 2021 is enkel relevant voor zover dat verslag en de daarin geconstateerde feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd aan de opgelegde sloopstop en last onder dwangsom. Anders dan [appellante] veronderstelt, ligt het verslag van bevindingen op zichzelf niet ter beoordeling voor in deze procedure. [appellante] betwist niet dat de toezichthouders bevoegd waren om toezicht te houden op het Bouwbesluit 2012 en de Wet milieubeheer. Voor zover het verslag van bevindingen betrekking heeft op die overtredingen, mocht het dan ook ten grondslag worden gelegd aan de sloopstop en de last onder dwangsom. Voor het overige is het verslag van bevindingen niet van belang in deze procedure en hoeft wat [appellante] daarover aanvoert, niet te worden besproken.
Het betoog faalt.
Vooringenomenheid toezichthouder
4. [appellante] betoogt dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb, doordat één van de toezichthouders, de heer Bruens, vooringenomen was jegens [appellante]. Hij heeft namelijk tijdens de controle op 11 februari 2021 tegen medewerkers van [appellante] gezegd dat hij “helemaal klaar was met [appellante]”. Volgens [appellante] is om die reden het verslag van bevindingen onrechtmatig tot stand gekomen en had het college het verslag daarom niet aan de besluitvorming ten grondslag mogen leggen.
4.1. Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt: “Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.”
4.2. Het verslag van bevindingen is opgesteld door de toezichthouders J. Zonnebeld en J. Erkens, die op 11 februari 2021 om 10:50 uur een reguliere controle op de locatie hebben uitgevoerd en naar aanleiding van hun bevindingen de sloopwerkzaamheden om 12:30 uur tijdelijk hebben stilgelegd. Het besluit van het college van 12 februari 2021 is namens het college ondertekend door de teammanager Toezicht en Handhaving van de Omgevingsdienst IJsselland en het besluit op bezwaar van 17 februari 2022 is namens het college ondertekend door het hoofd afdeling Juridische Zaken. Bruens is niet verantwoordelijk voor de op 11 februari 2021 uitgevoerde controle en het daarvan opgemaakte verslag van bevindingen of voor het besluit van 12 februari 2021 of voor het besluit van 17 februari 2022. Alleen al hierom bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn taak niet zonder vooringenomenheid heeft vervuld, daargelaten of uit de uitlating van Bruens volgt dat hij vooringenomen was jegens [appellante].
Het betoogt faalt.
Vooringenomenheid in de bezwaarfase
5. [appellante] betoogt verder dat het besluit van 17 februari 2022 op het door haar gemaakte bezwaar in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is genomen, doordat mevrouw J. Renger in de bezwaarfase zowel de reactie op het bezwaarschrift ten behoeve van de hoorzitting heeft geschreven, als de hoorzitting heeft voorgezeten en doordat het voorlopige oordeel in haar schriftelijke reactie vervolgens als motivering in het besluit van 17 februari 2022 is opgenomen. Volgens [appellante] volgt uit die schriftelijke reactie dat Renger al voorafgaand aan de hoorzitting haar oordeel klaar had over het gemaakte bezwaar en is daarmee in ieder geval de schijn van vooringenomenheid gewekt. Verder is hierdoor volgens [appellante] in strijd met artikel 7:5 van de Awb gehandeld.
[appellante] betoogt verder dat de toezichthouders betrokken waren bij de voorbereiding van het besluit van 17 februari 2022 en dat ook daarom dat besluit in strijd met artikel 2:4 van de Awb tot stand is gekomen.
5.1. Artikel 7:5, eerste lid, van de Awb luidt: “Tenzij het horen geschiedt door of mede door het bestuursorgaan zelf dan wel de voorzitter of een lid ervan, geschiedt het horen door:
a. een persoon die niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken is geweest, of
b. meer dan een persoon van wie de meerderheid, onder wie degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest.”
5.2. Aangezien Renger niet betrokken is geweest bij de voorbereiding van het in bezwaar bestreden besluit van 12 februari 2021, is het horen door haar geschied in overeenstemming met artikel 7:5, eerste lid, van de Awb.
De omstandigheid dat Renger de reactie op het bezwaarschrift heeft geschreven en het horen in de bezwaarfase door haar is geschied, betekent verder niet dat het besluit van 17 februari 2022 in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is genomen. Blijkens het verslag van de hoorzitting heeft [appellante] daar haar bezwaren naar voren kunnen brengen, en was het college dus bekend met de weergave daarvan in het verslag. Ook de omstandigheid dat de motivering van het besluit op bezwaar inhoudelijk overeenkomt met de onderbouwing in de schriftelijke reactie van Renger, betekent niet dat dat besluit met vooringenomenheid is genomen.
Tot slot maakt ook de stelling dat er contact is geweest tussen de toezichthouders en degene die het besluit op bezwaar heeft opgesteld, op zichzelf niet dat dat besluit met vooringenomenheid is genomen. Het is niet ongebruikelijk dat voorafgaand aan het nemen van een besluit op bezwaar informatie wordt ingewonnen bij de toezichthouder, omdat dit kan bijdragen aan de kwaliteit van de besluitvorming. [appellante] heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat er in dit geval contact is geweest dat ertoe heeft geleid dat het besluit op bezwaar met vooringenomenheid jegens haar is genomen.
Het betoog faalt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3855
Leave a Reply