CBb 2 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:445 – Intrekking strafbeschikking door OvJ omdat overtreder niet als verdachte kan worden aangemerkt, staat bestuurlijke sanctie niet in de weg.

Print deze pagina

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 2 september 2025

Datum publicatie: 2 september 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:445

Fragment:

6.1
Aan het voorgaande doet niet af dat de officier van justitie de aan [naam 1] opgelegde strafbeschikking heeft ingetrokken, omdat [naam 1] ten onrechte als verdachte is aangemerkt.

6.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2023, ECLI:NL:CBB:2023:86) brengt de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvoor hij is vrijgesproken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:958, onder 2.4.3), volgt dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich in voorkomend geval kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure, ook indien een strafrechtelijke procedure, zoals in het geval van de vennootschap, niet is voortgezet in verband met een sepot.

6.3
In het algemeen geldt in het strafrecht dat wat ten laste wordt gelegd wettig en overtuigend moet worden bewezen, terwijl in het bestuursrecht minder strenge bewijsregels gelden (zie de uitspraken van het College van 10 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:158, en van de Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:4). Verder is uit het sepot weliswaar op te maken dat de officier van justitie van oordeel is dat [naam 1] ten onrechte als verdachte is aangemerkt, maar dat betekent niet dat de officier van justitie het feit niet bewezen en strafbaar acht. In dit verband is van belang dat het feit en daarmee de inbreuk op de randvoorwaarden is gepleegd door de door de vennootschap ingeschakelde derde en dat de vennootschap in deze procedure – kort gezegd – voor die inbreuk aansprakelijk wordt gesteld, omdat zij hem zonder instructies of toezicht heeft laten werken. In zoverre roept het bestuursrechtelijke oordeel dat de vennootschap (voorwaardelijke) opzet van de niet-naleving van de randvoorwaarden kan worden verweten geen twijfels op over de juistheid van de gronden van het sepot.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:445

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *