Rb. Limburg 2 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8569 – Rb schrapt wettelijk verplichte inburgeringsboete. Stelselmatig opleggen van boete “kennelijk disproportioneel” tot het doel dat wordt nagestreefd met de Wet inburgering.

Print deze pagina

Instantie Rechtbank Limburg

Datum uitspraak: 2 september 2025

Datum publicatie: 8 oktober 2025

ECLI: ECLI:NL:RBLIM:2025:8569

Fragment:

Is het opleggen van de boete onredelijk?

6. De rechtbank komt in deze zaak tot de conclusie dat het opleggen van een boete in dit geval onredelijk is. Zij zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

7. De rechtbank acht als eerst van belang om enkele actualiteiten rondom het opleggen van een boete voor het niet tijdig inburgeren te benoemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de hoogste rechter in dit soort zaken, hierna aangeduid als ‘de Afdeling’) heeft in 2020 het boetebeleid van de staatssecretaris beoordeeld en deze niet onredelijk geacht.8 In een latere zaak heeft de Afdeling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna aangeduid als ‘het Hof van Justitie’) vragen gesteld over de uitleg van een bepaling uit de Kwalificatierichtlijn.9 Naar aanleiding daarvan heeft het Hof van Justitie in 2025 uitspraak gedaan over hoe het opleggen van een boete zich verhoudt tot de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens op 9 juli 2025 einduitspraak gedaan in de zaak waarin zij de prejudiciële vragen hebben gesteld. In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat artikel 31, eerste lid, van de Wi (en dus de bevoegdheid om een boete op te leggen) onverbindend is voor zover het gaat over boetes voor asielstatushouders.10 In kader van het laatste moet in dit geval opgemerkt worden dat eiseres geen asielstatushouder is.

7.1.
Verder wenst de rechtbank kort in te gaan op het doel dat gestreefd wordt met de bestuurlijke boete uit de Wet inburgering. In Nederland geldt een inburgeringsplicht. Het doel van de inburgeringsplicht is om wie duurzaam in Nederland verblijft, te laten beschikken over voldoende kennis van het Nederlands en de Nederlandse samenleving om in die samenleving te kunnen participeren. De wetgever heeft met artikel 31, eerste lid, van de Wi – kort gezegd – voorzien in een verplichting aan de staatssecretaris om een boete op te leggen wanneer niet is ingeburgerd binnen de inburgeringstermijn. Deze boete is, zo begrijpt de rechtbank, bedoeld als prikkel om inburgeringsplichtigen die geen of onvoldoende moeite doen voor hun inburgeringsplicht te bewegen om in te burgeren. De rechtbank verwijst daarbij naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis van de Wet inburgering: “Hoewel het belang van inburgering evident is en er vanuit het verblijfsrecht een sterke prikkel bestaat om in te burgeren, zullen er altijd inburgeringsplichtigen zijn voor wie inburgering geen vanzelfsprekendheid is en die na binnenkomst in Nederland hun eigen verantwoordelijkheid hierin niet nemen, dan wel waarop de verblijfsrechtelijke voorwaarde niet gesteld of gehandhaafd kan worden. Voor deze mensen zal de nakoming van de inburgeringsplicht zo nodig met een bestuurlijke boete moeten worden afgedwongen”.11

7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een boete in dit geval onevenredig is aan het doel dat nagestreefd wordt met de Wet inburgering. Zoals hiervoor is overwogen, hetgeen ook wordt bevestigd in de uitspraken van het Hof van Justitie12 en de Afdeling,13 is het uitgangspunt dat een boete slechts gerechtvaardigd is wanneer de betrokken persoon een bewezen en aanhoudend gebrek aan bereidheid tot integratie heeft getoond. De rechtbank merkt daarbij op dat zij er bewust van is dat deze uitspraken primair zien op asielstatushouders en dat het gevolg van die zaken uiteindelijk is geweest dat artikel 31, eerste lid, van de Wi onverbindend is (slechts) voor zover het gaat over boetes voor asielstatushouders.14 Het feit dat asielstatushouders kwetsbaarder (worden geacht te) zijn en daarom in bescherming moet worden genomen, doet naar oordeel van de rechtbank echter niet af aan de in die uitspraken gedeelde conclusie dat het stelselmatig opleggen van een boete kennelijk disproportioneel is tot het doel dat gestreefd wordt met de Wet inburgering.15

7.3.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres structureel en aantoonbaar zou weigeren om te integreren. Integendeel is de rechtbank juist van oordeel dat eiseres heeft aangetoond moeite te hebben gedaan om in te burgeren. Zij neemt daarbij in overweging dat eiseres kort nadat de inburgeringstermijn is verlopen (met zeer goed resultaat) de examenonderdelen uit de inburgeringsplicht heeft gehaald. Verder heeft eiseres aangegeven, wat niet is betwist door de staatssecretaris, dat zij ook maatschappelijke activiteiten heeft verricht in de inburgeringstermijn. Het enkele feit dat het eiseres (net) niet binnen de daartoe gestelde termijn is gelukt om in te burgeren, is gelet op het doel dat nagestreefd wordt met de Wet inburgering onvoldoende om een boeteoplegging te rechtvaardigen. Het opleggen van een boete is in dit geval dus onevenredig. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank acht het daarom niet meer nodig om in te gaan op de beroepsgrond over de schending van de hoorplicht.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:8569

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *