ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5606 – Asbestboetes. Geen sprake van schending una-via. Geen cumulatie met asbestboetes. “Anders dan bij bepaalde andere stoffen, zijn bij het werken met asbest verschillende maatregelen nodig om de risico’s van de stof te beheersen. Daarom zijn er ook meer overtredingen uitgewerkt in de regelgeving.”
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 19 november 2025
Datum publicatie: 19 november 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:5606
Fragment:
Beoordeling
6.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.3, 10.2, 11.3, 12.3 en 13.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan het volgende toe.
6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de aan [appellante] ten laste gelegde overtredingen zien op andere juridische feiten en gedragingen, en dat de minister dus geen boetes voor hetzelfde feit heeft opgelegd. Ook is er geen sprake van schending van het una via-beginsel. Zoals de rechtbank heeft overwogen volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011, dat de beantwoording van de vraag of sprake is van hetzelfde feit mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, waarbij een aanzienlijk verschil in juridische aard van de feiten en/of gedragingen kan leiden tot de slotsom dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr. Uit het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, volgt verder dat doorslaggevend is of de in het geding zijnde wetten dezelfde belangen beogen te beschermen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 6 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3303, 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1187, en 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:967) hebben de betrokken overtredingen van de regelgeving over asbest, vervat in de paragrafen 3, 4 en 5 van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit, niet alle een vergelijkbare strekking en hebben zij niet betrekking op dezelfde gedragingen of nalatigheden. Anders dan bij bepaalde andere stoffen, zijn bij het werken met asbest verschillende maatregelen nodig om de risico’s van de stof te beheersen. Daarom zijn er ook meer overtredingen uitgewerkt in de regelgeving. Zo ziet artikel 4.45 op preventie, artikel 4.47c op het toezicht houden op de naleving van de asbestbepalingen in het Arbobesluit, de artikelen 4.48a, 4.50 en 4.54a op de bescherming van werknemers en artikel 4.54d, eerste, vijfde en zevende lid, op de deskundigheidseisen van achtereenvolgens het asbestverwijderingsbedrijf, de toezichthouder en degene die het asbest verwijdert.
6.3. Daarnaast heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor matiging van de boete op grond van het evenredigheidsbeginsel. Uit de hiervoor onder 6.2 genoemde uitspraken van de Afdeling volgt dat de verschillende overtredingen van de regelgeving over asbest afzonderlijk beboetbaar zijn. De hoogte van de boete per afzonderlijke overtreding is afgestemd op de ernst van die overtreding. De cumulatie van boetes is niet per definitie onevenredig, enkel omdat overtredingen van vergelijkbare strekking worden beboet of omdat overtredingen worden beboet die betrekking hebben op dezelfde gedragingen of nalatigheden. Dit neemt niet weg dat de mate van samenhang van overtredingen een relevante factor kan zijn om de boete te matigen. Hoewel er bij de overtredingen van de regelgeving over asbest enige mate van samenhang is, ziet de Afdeling met de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de boete in dit geval onevenredig is. Daarbij is van belang dat het gaat om zeer ernstige overtredingen waarvoor [appellante] een verwijt kan worden gemaakt. Uit de verklaring van Vince Lans (bijlage 6 bij het boeterapport) volgt dat hij en [persoon] sloopwerkzaamheden hebben verricht aan plafonds en muren. Omdat het pand gebouwd is vóór 1994 had [appellante] bedacht moeten zijn op de aanwezigheid van asbest. Dat er een depotakte was waaruit, volgens [appellante], volgt dat het pand geen asbest zou bevatten, doet daaraan niet af. Los van de vraag of uit die akte afgeleid kan worden dat er geen asbest in het pand aanwezig was, heeft [appellante] op de zitting bij de Afdeling verklaard dat hij niet bekend was met die akte voordat hij startte met de werkzaamheden. Verder heeft [appellante] de werkzaamheden door een jeugdige laten verrichten, en uit de verklaring van [persoon] (bijlage 7 bij het boeterapport) volgt, anders dan [appellante] op de zitting bij de Afdeling heeft verklaard, dat de werkzaamheden zijn voortgezet nadat er al een verdenking was dat er asbest aanwezig was. Ook na de overtreding heeft [appellante] geen noemenswaardige maatregelen getroffen ter voorkoming van verdere overtredingen. Dat laatste maakt ook dat het beroep van [appellante] op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2021 niet leidt tot een ander oordeel. In die zaak had de overtreder namelijk met de getroffen maatregelen aangetoond actief bezig te zijn met het voorkomen van overtredingen in de toekomst. De rechtbank zag daarom aanleiding de boete te matigen.
6.4. Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:5606
Leave a Reply