ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6124 – Instortingsgevaar – toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang. Toetsing aan NEN 8700 niet mogelijk, maar andere bepalingsmethode hier voldoende.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 17 december 2025
Datum publicatie: 17 december 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:6124
Fragment:
Zeer spoedeisende bestuursdwang
5. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb op 5 juli 2022 niet gerechtvaardigd was. Volgens [appellanten] was er op dat moment van een zeer urgente situatie die noodzaakt om direct op te treden geen sprake. Zij wijzen erop dat het college al eerder had kunnen optreden, maar dat niet heeft gedaan. Het college heeft vanaf de controle door een toezichthouder op 30 juni 2022 vijf dagen gewacht voordat werd overgegaan tot het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang. Ook waren in de periode van 30 juni 2022 tot 5 juli 2022 de exploitant en zijn personeel nog in het strandpaviljoen aanwezig en verbleven er strandbezoekers naast en onder het strandpaviljoen. Verder heeft het college vanaf 30 juni 2022 niets ondernomen en bij [appellanten] geen navraag gedaan over het in hun opdracht door Contek uitgevoerde onderzoek en de geplande maatregelen, terwijl de toezichthouder hiervan wel op de hoogte was. Zij wijzen er verder op dat het paviljoen door het college op 5 juli 2022 plotseling werd gesloten zonder de situatie opnieuw te beoordelen en pas op dat moment een keuring van het pand werd aangevraagd.
[appellanten] betogen ook dat de rechtbank heeft miskend dat op 5 juli 2022 geen sprake was van een overtreding van artikel 2.6 van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft toen niet aan de hand van NEN 8700 bepaald of het pand gedurende de hiervoor bedoelde restlevensduur bezwijkt. Het college heeft niet gemotiveerd of toepassing van artikel 2.8 van het Bouwbesluit 2012 op 5 juli 2022 in dit geval praktisch niet uitvoerbaar was. Het college heeft het gevaar voor instorting op 5 juli 2022 niet bewezen. Ook na 5 juli 2022 is niet vastgesteld dat artikel 2.6 van het Bouwbesluit wordt overtreden, zo stellen [appellanten].
5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om op grond van artikel 5:31, tweede lid, van Algemene wet bestuursrecht handhavend op te treden. De Afdeling licht dat als volgt toe.
5.2. Beoordeeld dient te worden of het college, gelet op de ten tijde van de besluitvorming op 5 juli 2022 bij hem bestaande kennis en ter beschikking staande gegevens, tot de conclusie kon komen dat de constructieve staat van het strandpaviljoen zodanig was dat het, met het oog op de veiligheid van personen, aangewezen was om met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang tot onmiddellijke sluiting van het strandpaviljoen en afsluiting van de ruimte onder het strandpaviljoen over te gaan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2705, onder 6.1, en 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1390, onder 12.1 tot en met 12.6.
5.3. Op 30 juni 2022 heeft een toezichthouder naar aanleiding van een melding van de exploitant van het strandpaviljoen geconstateerd dat de constructie van het strandpaviljoen in zeer slechte staat is, er ernstige corrosie aanwezig is, de stalen buispalen aan de buitenzijde op veel plekken helemaal zijn doorgerot en de aantasting van het onderliggend beton op sommige plaatsen zichtbaar is. Schoren die zorgen voor de stijfheid van de constructie zijn minimaal aanwezig en op sommige plaatsen door corrosie weggerot. De toezichthouder concludeerde dat bovenstaande gebreken voor een onveilige situatie zorgen, zeker bij een pand dat wordt gebruikt voor bruiloften en feesten en dat op een locatie staat waar weersinvloeden een grote rol spelen. De bevindingen van de toezichthouder, ondersteund door foto’s van de constructie, zijn neergelegd in een controlerapport van 30 juni 2022.
Weliswaar was het college op 30 juni 2022 op de hoogte van de staat van de fundering van het strandpaviljoen, maar omdat het strandpaviljoen op die datum al gesloten was voor publiek, bestond er op dat moment geen directe spoed het pand te sluiten. Die spoed ontstond pas toen het college op 4 juli 2022 de melding kreeg dat het strandpaviljoen weer open zou gaan, terwijl de op 30 juni 2022 door de toezichthouder geconstateerde situatie niet was gewijzigd. Uit de gegevens die het college op 5 juli 2022 ter beschikking stonden, kon het afleiden dat op dat moment de veiligheid van personen in gevaar was omdat een reëel gevaar van bestond dat de constructie plotseling zou kunnen bezwijken. De Afdeling is van oordeel dat het college zich onder deze omstandigheden op het standpunt mocht stellen dat op 5 juli 2022 de situatie zo spoedeisend was dat onmiddellijk handelen was vereist en dat een besluit niet kon worden afgewacht. Het college heeft daarom op 5 juli 2022 tot onmiddellijke sluiting van het strandpaviljoen kunnen besluiten met toepassing van artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. De omstandigheid dat in de periode van 30 juni 2022 tot 5 juli 2022 wel personeel in het strandpaviljoen aanwezig was en de ruimte onder het strandpaviljoen niet was afgesloten, maakt dat niet anders. Het college heeft gemotiveerd toegelicht dat de aanwezigheid van enkele personen in het strandpaviljoen een andere invloed heeft op de belastbaarheid van de constructie dan de aanwezigheid van vele personen in het strandpaviljoen bij bijvoorbeeld een feest. De stelling van [appellanten] dat uit verschillende rapportages volgt dat de situatie niet zo gevaarlijk was als door de toezichthouder is geconstateerd, leidt ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft over het rapport van Contek van 30 juni 2022, dat door [appellanten] is overgelegd, overwogen dat dit rapport niet concludent is. De Afdeling kan zich vinden in dat oordeel en verwijst kortheidshalve naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de rechtbank. Over door [appellanten] overgelegde rapporten van na 5 juli 2022 overweegt de Afdeling dat deze rapporten – nog daargelaten of de daarin getrokken conclusies kunnen worden gevolgd – niet kunnen afdoen aan de omstandigheid dat het college op 5 juli 2022 uit de hem ter beschikking staande gegevens mocht afleiden dat zich een overtreding voordeed die zodanig gevaarlijk was dat (zeer) spoedeisende bestuursdwang nodig was.
5.4. De Afdeling volgt verder evenmin het betoog van [appellanten] dat met de door de toezichthouder op 30 juni 2022 gegeven omschrijving van de gebreken niet is komen vast te staan dat sprake is van een met artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit strijdige situatie die de toepassing van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigde en dat het toepassing had moeten geven aan artikel 2.8. eerste lid, van het Bouwbesluit. Zoals hiervoor al is overwogen, mocht het college uit de gegevens die hem op 5 juli 2022 ter beschikking stonden, afleiden dat op dat moment een reëel gevaar bestond dat de constructie van het strandpaviljoen zou bezwijken. Onder de gegeven omstandigheden kon van het college, gelet op de daarmee gemoeide tijd, niet worden gevergd dat het eerst nog de staat van de fundering zou bepalen aan de hand van de in artikel 2.8, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 bedoelde NEN 8700. Met de in het controlerapport van de toezichthouder gegeven omschrijving van de geconstateerde gebreken, die wordt ondersteund door foto’s van de constructie, is voldoende aannemelijk dat sprake is van een met artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 strijdige situatie, en daarmee van een met artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet strijdige situatie. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar eerdergenoemde uitspraak van 30 juni 2021, onder 12.5.
5.5. Het betoog slaagt niet.
Last onder bestuursdwang
6. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om een last onder bestuursdwang op te leggen, omdat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van het strandpaviljoen sprake is van een met artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 en artikel 1b, tweede en derde lid, van de Woningwet strijdige situatie, slaagt dat betoog niet. De Afdeling licht dit als volgt toe.
6.1. Uit het systeem van de artikelen 2.6, 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit 2012, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat wanneer overeenkomstig artikel 2.8 aan de hand van NEN 8700 wordt vastgesteld dat een bouwconstructie niet bezwijkt in de zin van artikel 2.7, daarmee vaststaat dat wordt voldaan aan de in artikel 2.6, eerste lid, neergelegde norm dat een bestaand bouwwerk gedurende de restlevensduur voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Het systeem van de artikelen 2.6, 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit 2012 sluit op zichzelf niet uit dat in het geval toepassing van de artikelen 2.7 en 2.8 praktisch niet uitvoerbaar is, aan de hand van een andere bepalingsmethode wordt bepaald of een bestaand bouwwerk voldoet aan artikel 2.6, eerste lid. Uit die andere bepalingsmethode moet dan wel onmiskenbaar volgen dat niet aan artikel 2.6, eerste lid, is voldaan. De Afdeling verwijst in dit verband naar eerdergenoemde uitspraak van 30 juni 2021 en haar uitspraken van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:817 en 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2862.
Het college heeft aan de last onder bestuursdwang onder meer ten grondslag gelegd het rapport van Koch Ingenieurs en Architecten (hierna: Koch) van 8 juli 2022. In het rapport van Koch is onderbouwd dat de constructie van het strandpaviljoen bestaat uit een oude, niet geconserveerde staalconstructie die gezien de door Koch uitgevoerde inspectie zodanig is aangetast dat moet worden geconcludeerd dat aan het merendeel van de constructieve elementen geen reststerkte kan worden toegekend. Dit betekent volgens Koch dat het minimale vereiste veiligheidsniveau overeenkomstig de NEN 8700 niet wordt gehaald. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de conclusies in het rapport van Koch te twijfelen. Dat het om een niet geconserveerde staalconstructie gaat, wordt niet betwist door [appellanten]. Voor wat betreft de conclusie van Koch dat aan het merendeel van de constructieve elementen geen reststerkte kan worden toegekend, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in dit verband terecht heeft overwogen dat de door [appellanten] ingebrachte rapporten teveel onzekerheden geven om tot een ander oordeel te komen.
Gelet op de omstandigheid dat het gaat om een staalconstructie die niet is beschermd tegen corrosie, de reeds plaatsgevonden verzakking van de vloer en gelet op de bevindingen van de toezichthouder op 30 juni 2022 over de aantasting van de constructie, die worden ondersteund door het rapport van Koch van 8 juli 2022 en de foto’s van de constructie, heeft het college aannemelijk gemaakt dat de constructie van het strandpaviljoen in strijd is met artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, en daarmee in strijd met artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:6124
Leave a Reply