ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6165 – Draagkracht en hoge leeftijd vormen in dit geval bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 17 december 2025

Datum publicatie: 17 december 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:6165

Fragment:

Beoordeling van het hoger beroep

2.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de verbeurde dwangsommen volledig heeft ingevorderd. Het college voert aan dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Volgens het college heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat er sprake is van financiële verwevenheid tussen [wederpartijen].

2.1.    Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb; Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

2.2.    Op basis van de stukken en wat op de zitting is gezegd stelt de Afdeling het volgende vast. [wederpartijen] zijn op (hoge) leeftijd. Zij zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Op de zitting heeft het college bevestigd dat als een van beide echtelieden komt te overlijden, de schuld van de een op de ander en/of andere erfgenamen over gaat. Het college heeft een berekening van de afloscapaciteit van [wederpartijen] gemaakt. Op basis van die berekening heeft het college een betalingsregeling met hen getroffen. Die betalingsregeling houdt in dat zij € 50,00 per persoon per maand betalen, dus € 100,00 per maand samen. Dit betekent dat het ruim 26 jaar zal duren voordat de dwangsommen door dit bejaarde echtpaar zullen zijn betaald. Als een van beiden komt te overlijden en de schuld overgaat op de ander, zal dat nog (veel) langer duren. Op de zitting heeft het college desgevraagd laten weten dat de gemeente Maasgouw geen beleid kent waarbij na een bepaalde periode van betalingen de restschuld wordt kwijtgescholden. Er is dus geen stip aan de horizon wanneer de schuld uit de wereld is. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de overtreding al lange tijd geleden is beëindigd. Niet is gebleken van een risico dat die overtreding opnieuw zal plaatsvinden.

Op zich wijst het college er terecht op dat veel gewicht moet worden toegekend aan het belang van invordering vanwege het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Het college hoefde daarom niet geheel van invordering af te zien. Maar gelet op de omstandigheden die hiervoor zijn vastgesteld is de Afdeling van oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat het volledig invorderen van de dwangsommen zodanig negatieve gevolgen heeft voor [wederpartijen] dat dit in verhouding tot de daarmee gemoeide doelen onevenredig is. Het college had daarom in dit geval gedeeltelijk van invordering moeten afzien. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college het besluit van 23 juni 2021 niet deugdelijk heeft gemotiveerd en heeft dat besluit daarom terecht vernietigd.

Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:6165

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *