ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2303 – Intrekking gedoogverklaring Coffeeshop na overtredingen: toetsingskader gebonden en discretionaire bevoegdheid tot intrekking bij wijze van sanctie.

Print deze pagina

Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 22 april 2026

Datum publicatie: 22 april 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:2303

De evenredigheidstoets bij de gebonden bevoegdheid

9.1.    Uit artikel 2:33F, tweede lid, van de APV volgt de bevoegdheid om de vergunning in te trekken wanneer zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Dit is een gebonden bevoegdheid.

9.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:334), volgt uit de uitspraak van de grote kamer van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, dat de bestuursrechter in zo’n geval het bestreden besluit rechtstreeks aan het evenredigheidsbeginsel toetst. Verder volgt uit de uitspraak van het CBb dat bij een gebonden bevoegdheid op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging in algemene zin heeft plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is neergelegd in de voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheid. Daarmee is in beginsel ook de evenredigheid van het besluit gegeven. Het te nemen besluit volgt uit het wel of niet vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden. Het bestuursorgaan hoeft daarbij geen belangenafweging te maken.

9.3.    Toch kunnen er bijzondere omstandigheden zijn, waardoor in een voorliggend geval toepassing van het algemeen verbindende voorschrift zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat deze toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het alleen nog om de evenwichtigheid.

Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is.

9.4.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit, voor zover dat is gebaseerd op artikel 2:33F, tweede lid, van de APV, terecht rechtstreeks aan het evenredigheidsbeginsel heeft getoetst. Anders dan de burgemeester, leest de Afdeling in het beroepschrift van [appellant sub 2] een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Dat betekent dat de rechtbank terecht heeft beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn waardoor toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden.

9.5.    De Afdeling is in dit geval echter van oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van artikel 2:33F, tweede lid, van de APV, tot een onevenredige uitkomst leidt. [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat de intrekkingen ertoe hebben geleid dat de coffeeshop is gesloten en dat de inkomsten daaruit zijn weggevallen. Deze omstandigheden zijn niet bijzonder, maar inherent aan het intrekken van een vergunning alcoholvrij bedrijf (vergelijk de uitspraak van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:334). [appellant sub 2] stelt verder dat hij leningen heeft moeten afsluiten en dat de sluiting van de coffeeshop tot faillissement zal leiden. Hoewel [appellant sub 2] in hoger beroep een aantal financiële stukken heeft verstrekt, is de Afdeling van oordeel dat deze onvoldoende objectieve duidelijkheid verschaffen over zijn werkelijke financiële positie. [appellant sub 2] heeft met deze informatie ook niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat sprake is van financiële problemen of van een dreigend faillissement. Ook heeft [appellant sub 2] niet onderbouwd dat het voor hem onmogelijk is om een andere bron van inkomsten te vinden. In deze omstandigheden hoefde de burgemeester dus geen aanleiding te zien om artikel 2:33F, tweede lid, van de APV, buiten toepassing te laten.

9.6.    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat toepassing van artikel 2:33F, tweede lid, van de APV in het voorliggende geval achterwege moest blijven. Het betoog van de burgemeester slaagt.

De evenredigheidstoets bij de discretionaire bevoegdheid

10.     Artikelen 1:6, eerste lid, aanhef onder b, 2:33E in samenhang gelezen met artikel 2:33F, derde lid, van de APV en de artikelen 3 en 7 van de Wet Bibob, bevatten een discretionaire bevoegdheid. Uit het Coffeeshopbeleid volgt ook dat de burgemeester een discretionaire bevoegdheid heeft om een gedoogverklaring in te trekken. De burgemeester moet bij de toepassing daarvan altijd een belangenafweging maken.

10.1.  De burgemeester heeft deze belangenafweging als volgt toegelicht. Uit het advies van het LBB, de processen-verbaal en de bestuurlijke rapportages volgt dat de exploitatie van de coffeeshop niet voldoet aan de daarvoor geldende regels en voorschriften. Er is sprake van een patroon waarbij herhaaldelijk veel misstanden plaatsvinden en meerdere voorschriften van de gedoogverklaring door [appellant sub 2] ernstig zijn geschonden. Dit rechtvaardigt volgens de burgemeester de conclusie dat het met het oog de openbare orde, veiligheid en gezondheid, niet langer verantwoord is dat [appellant sub 2] nog langer beschikt over een vergunning alcoholvrij bedrijf en gedoogverklaring. De geconstateerde overtredingen verhouden zich namelijk niet tot een verantwoorde exploitatie en de doelen die met het Coffeeshopbeleid worden nagestreefd. De burgemeester heeft herhaaldelijk met het treffen van minder ingrijpende maatregelen geprobeerd om de exploitatie van de coffeeshop met het oog op deze belangen te verbeteren. [appellant sub 2] is er ook meerdere malen gewezen dat hij zich aan de gedoogvoorschriften moet houden. Desondanks is de exploitatie van de coffeeshop door [appellant sub 2] niet verbeterd.

10.2.  Het voorgaande is volgens de burgemeester zeer ernstig, omdat de houder van een gedoogverklaring zich in een uitzonderingspositie bevindt doordat hij met een gedoogverklaring softdrugs mag verkopen. De verkoop van softdrugs is immers verboden, maar wordt bij wijze van hoge uitzondering en binnen strikte regels, gedoogd. Dat betekent dat hij binnen de grenzen van de vergunning moet blijven en zich aan de aan de vergunning verbonden voorschriften dient te houden. Het belang van de burgemeester om tegen overtredingen van deze regels op te treden weegt zwaar. Omdat is gebleken dat met minder ingrijpende maatregelen het beoogde doel niet kan worden bereikt, is de intrekking van de vergunning en de gedoogverklaring volgens de burgemeester noodzakelijk.

10.3.  De burgemeester heeft deze beslissing afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 2]. Daarbij heeft de burgemeester betrokken dat de intrekking van de vergunning en de gedoogverklaring voor [appellant sub 2] en zijn personeel vergaande gevolgen heeft omdat de exploitatie hiermee niet kan worden voortgezet. De burgemeester stelt zich echter op het standpunt dat vanwege het herhaaldelijk karakter van de overtredingen deze nadelige gevolgen niet opwegen tegen de noodzaak van de maatregel. Hierbij betrekt de burgemeester dat uit de financiële gegevens die door [appellant sub 2] zijn verstrekt niet kan worden opgemaakt dat [appellant sub 2] door de intrekkingen persoonlijk in een financiële noodsituatie terechtkomt. Vanwege de algemene krapte op de arbeidsmarkt heeft het personeel bovendien een reëel perspectief op een andere baan. Verder heeft de burgemeester erop gewezen dat gelet op het aantal geconstateerde vermoedelijk gepleegde strafbare feiten de intrekking van de vergunning alcoholvrij bedrijf evenredig is met de mate van gevaar, als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de Wet Bibob. Tot slot wordt een gedoogverklaring steeds voor bepaalde tijd verstrekt. [appellant sub 2] diende dus altijd rekening te houden met de mogelijkheid dat de gedoogverklaring niet meer zou worden verleend. Het belang bij handhaving en bescherming van de volksgezondheid en openbare orde weegt daarom zwaarder dan het belang van [appellant sub 2], aldus de burgemeester.

10.4.  De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester gelet op de hierboven weergegeven afweging tot de conclusie mocht komen dat de intrekkingen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de burgemeester voldoende onderbouwd dat de omstandigheden in het voorliggende geval de intrekking van de vergunning en de gedoogverklaring rechtvaardigen. Daarbij heeft de burgemeester er terecht op gewezen dat sprake is van een patroon van herhaaldelijke overtredingen en incidenten. Ondanks het treffen van lichtere maatregelen blijft dit patroon zich voortzetten en daarmee blijft een gevaar voor de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid bestaan. De burgemeester heeft ter ondersteuning van dit standpunt ook mogen wijzen op de conclusie van het LLB-advies. De burgemeester mocht al deze omstandigheden in samenhang beoordelen en hoefde niet apart te onderbouwen waarom de omstandigheden die zich sinds de tijdelijke schorsing van de gedoogvergunning hebben voorgedaan, de intrekkingen rechtvaardigden. De burgemeester mocht het belang van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid zwaarder laten wegen dan de belangen van [appellant sub 2]. Dat [appellant sub 2] financieel nadeel door de intrekkingen ondervindt is, gelet op wat onder 15.5 is overwogen en gezien de vele incidenten en overtredingen, geen reden om hier anders over te oordelen.

10.5.  Het betoog van de burgemeester slaagt.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:2303

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *