ABRvS 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829 – Illegaal gebouwde schaapskooi moet – ook al staat het er al 55 jaar – gewoon weg. “Hoewel de Afdeling begrip heeft voor het betoog van [appellant] dat hij zeer dierbare herinneringen aan de schaapskooi heeft, is dit geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.”

Is er een overtreding?

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij artikel 2.3a van de Wabo heeft overtreden door de zonder omgevingsvergunning gebouwde schaapskooi in stand te laten. Daarover voert hij aan dat het op de weg van het college ligt om aannemelijk te maken dat de schaapskooi in 1967 zonder de vereiste omgevingsvergunning is gebouwd en het college dit niet heeft gedaan. Allereerst volgt volgens [appellant] uit het advies van de commissie voor bezwaarschriften dat bij het college onbekend is of er in 1967 een omgevingsvergunningplicht voor het bouwen van de schaapskooi was. Daarnaast kan er volgens hem niet worden uitgesloten dat in 1967 een omgevingsvergunning voor de bouw van de schaapskooi is verleend. Weliswaar stelt het college het archief uit 1967 te hebben geraadpleegd, maar het college moet aantonen dit te hebben gedaan en dat is niet gebeurd.

3.1.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat [appellant] artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo heeft overtreden. Op moment van het bouwen van de schaapskooi in 1967 bestond daarvoor een vergunningplicht op grond van de toen geldende Woningwet 1962 (artikel 47). Weliswaar bevatte artikel 47 van die Woningwet uitzonderingen op die vergunningplicht, maar uit het verhandelde op de zitting is niet gebleken dat één van die uitzonderingen van toepassing was. Deze vergunningplicht gold ongeacht het planologisch kader in de bestemmingsplannen, die het college alsnog in beroep heeft overgelegd.

4.       Daarnaast heeft het college aannemelijk gemaakt dat voor de bouw van de schaapskooi geen bouwvergunning of omgevingsvergunning voor bouwen is verleend. Het college heeft toegelicht dat het in het fysieke en digitale archief naar zo’n vergunning voor een bouwwerk op het perceel heeft gezocht, maar dat niet is gebleken dat zo’n vergunning is verleend. Het is daarom aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:819, onder 3.1. [appellant] heeft dat niet gedaan. Het betoog slaagt niet.

Zijn er bijzondere omstandigheden?

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waarom het college had moeten afzien van handhaven. Daarover voert hij aan dat de klachten uit de omgeving over geluidsoverlast ongegrond zijn. Als er toch geluidsoverlast zou zijn, dan had het college volgens hem daartegen ook andere maatregelen had kunnen nemen dan de meest verstrekkende maatregel van afbreken. Verder heeft hij het gerechtvaardigd vertrouwen dat niet tegen de overtreding zou worden opgetreden. De schaapskooi staat er namelijk al meer dan 55 jaar en heeft het college hiertegen al die tijd niets ondernomen. Ook blijkt uit een verklaring van zijn moeder dat de schaapskooi in 1967 door zijn ouders is gebouwd met instemming van de toenmalige burgemeester van Zundert. Bovendien heeft de gemeente door WOZ-belasting financieel van de schaapskooi geprofiteerd. Ten slotte heeft hij in 2017 de schaapskooi van zijn ouders gekocht, omdat hij daaraan zeer dierbare herinneringen heeft. Het college heeft dit onvoldoende afgewogen.

5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet heeft hoeven afzien van handhaven. Allereerst heeft de rechtbank terecht erop gewezen dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan bij een overtreding in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Het college heeft daarom ook niet hoeven motiveren waarom het een dwangsom oplegt of de klachten hoeven bewijzen.

5.2.    De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat [appellant] geen bijzondere omstandigheid heeft aangevoerd op grond waarvan handhaven zo onevenredig is dat het niet in verhouding staat tot de daarmee te dienen belangen. [appellant] heeft allereerst niet aannemelijk gemaakt dat hij de gerechtvaardigde verwachting mocht hebben dat het college niet handhavend zou optreden tegen zijn schaapskooi. Uit de verklaring van de moeder van [appellant] blijkt namelijk niet dat is toegezegd dat de schaapskooi zonder vergunning mocht worden gebouwd en ook niet dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden.

5.3.    Ook heeft [appellant] geen andere bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt. Weliswaar staat de schaapskooi er al meer dan 55 jaar, maar tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaven moet afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte van de overtreding was of dat kon zijn. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, onder 4.2. Verder is de verplichte WOZ-taxatie geen uitlating of gedraging waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid dat het college dat niet handhavend zou optreden. Bij een WOZ-taxatie wordt namelijk niet gekeken naar de planologisch-juridische situatie. Hierbij wijst de Afdeling op haar uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4631, onder 5.2. Daarnaast kan er ook indirect niet uit worden afgeleid dat het college afziet van handhavend optreden.

5.4.    Hoewel de Afdeling begrip heeft voor het betoog van [appellant] dat hij zeer dierbare herinneringen aan de schaapskooi heeft, is dit geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Het betoog slaagt niet.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2024:1829