ABRvS 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1402 – Brief waarin wordt medegedeeld dat geen sprake is van een overtreding, is nog geen gedoogbeslissing. Daarvoor is nodig dat er een overtreding is en dat BO toezegt (vooralsnog) niet te handhaven (al dan niet onder voorwaarden). In dit geval ook geen bestuurlijk rechtsoordeel.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Datum publicatie: 11 maart 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:1402
Fragment:
Beoordeling van het hoger beroep
6. De gronden van [appellant sub 1] en anderen slagen niet. De Afdeling licht dat hieronder toe.
6.1. De Afdeling onderschrijft allereerst het oordeel van de rechtbank dat de brief van 12 mei 2022 niet als een gedoogbeslissing kan worden gekwalificeerd, en ook niet als een intrekking van een gedoogbeslissing. Volgens vaste rechtspraak is een gedoogbeslissing een brief van een bestuursorgaan waarin is vermeld dat volgens het bestuursorgaan sprake is van een overtreding, waartegen het bestuursorgaan vooralsnog niet tot handhaving overgaat, zonder meer of alleen als aan de in de brief vermelde voorwaarden wordt voldaan. De gedoogbeslissing heeft aldus het karakter van een – al dan niet voorwaardelijke – toezegging van het bestuursorgaan dat het vooralsnog niet tot handhavend optreden overgaat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356). Een dergelijke toezegging bevat de brief van 12 mei 2022 niet, en ook de brief van 12 september 2016 bevat die niet. De burgemeester wijst in zowel de brief van 12 september 2016 als in de brief van 12 mei 2022 juist op de situatie waarover hij van mening is dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Daarmee is de brief van 12 september 2016 niet aan te merken als gedoogbeslissing en is ook de brief van 12 mei 2022 niet aan te merken als een gedoogbeslissing of als een intrekking daarvan.
Het betoog slaagt niet.
6.2. Aan het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het voor hen onevenredig bezwarend is om een handhavingsbesluit uit te lokken, ligt de opvatting ten grondslag dat zij de brief van 12 mei 2022 als een bestuurlijk rechtsoordeel beschouwen. De Afdeling deelt dit standpunt van [appellant sub 1] en anderen niet. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en als definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van dat bestuursorgaan behoort (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1711). Op de zitting heeft de burgemeester toegelicht dat de brief van 12 mei 2022 een algemene informatiebrief is over de mogelijkheden van teelt van medicinale cannabis in het licht van het generieke gedoogbeleid dat de burgemeester voert en dat iedere teler daarvan een afschrift kan krijgen. De Afdeling volgt de burgemeester in dit standpunt. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de brief tot eenieder is gericht en niet tot een of meer concrete personen. Verder hebben [appellant sub 1] en anderen op de zitting van de Afdeling toegelicht dat de benodigde hoeveelheid cannabis voor eigen gebruik afhankelijk is van de persoon en niet in zijn algemeenheid kan worden vastgesteld. De Afdeling is daarom van oordeel dat de burgemeester met de brief van 12 mei 2022 geen oordeel heeft gegeven over de toepasselijkheid van artikel 13b van de Opiumwet in de concrete situatie van [appellant sub 1] of de anderen. Dat het bij een bestuurlijk rechtsoordeel om een oordeel over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift in een concrete situatie moet gaan, volgt ook uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:265. De Afdeling sluit zich hierbij aan.
Het betoog slaagt niet.
6.3. Nu de Afdeling tot het oordeel komt dat de brief van 12 mei 2022 geen bestuurlijk rechtsoordeel is, hoeft niet meer te worden beoordeeld of sprake is van een uitzonderlijk geval waardoor het bestuurlijk rechtsoordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld.
7. Ten overvloede merkt de Afdeling nog het volgende op. Op de zitting is gebleken dat de hoger beroepen van [appellant sub 1] en anderen ook zijn ingegeven door het feit dat zij zich minder beschermd voelen door de brief van 12 mei 2022 dan door de brief van 12 september 2016, omdat daar niet langer in staat dat de burgemeester het strafrechtelijke en bestuursrechtelijke kader voor het telen van medicinale cannabis met de politie en het Openbaar Ministerie heeft afgestemd. [appellant sub 1] en anderen hebben toegelicht dat dit gedeelte van de brief van 12 september 2016 in de praktijk voorkomt dat politieambtenaren over de drempel van hun woning stappen en de aanwezige hennepplanten en de voorraad in beslag nemen en dat de woningcorporatie de huurovereenkomst ontbindt nadat medicinale cannabis in hun woning is aangetroffen. De Afdeling begrijpt dat de aanwezigheid van hennepplanten en een voorraad medicinale cannabis in een woning ingrijpende strafrechtelijke of civielrechtelijke consequenties voor [appellant sub 1] en anderen kan hebben. Het is echter ook in een bestuursrechtelijke procedure over een bestuurlijk rechtsoordeel niet mogelijk om af te dwingen dat de burgemeester over deze situaties met de politie en het Openbaar Ministerie afspraken maakt. De feitelijke bescherming die [appellant sub 1] en anderen van de burgemeester verlangen, hadden zij daarom ook als de brieven van de burgemeester wel als bestuurlijk rechtsoordeel waren aangemerkt met deze procedure niet kunnen bereiken.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:1402