1

ABRvS 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1060 – Zwijgrecht / cautie bij boete. Werknemers leggen incriminerende verklaringen af zonder voorafgaande cautie. Rb vernietigt boete, maar Afdeling draait dat terug. Zwijgrecht komt enkel de bestuurder van de rechtspersoon toe.

6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2165, volgt uit artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht dat de cautieplicht bestaat wanneer een redelijk waarnemer naar objectieve maatstaven kan vaststellen dat de betrokkene wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie. Blijft in een zodanig geval de cautie ten onrechte achterwege, dan kan de verklaring van de betrokkene in de regel niet worden gebruikt als bewijs voor de feiten die aan de sanctie ten grondslag zijn gelegd. Bij boeteoplegging aan een rechtspersoon komt het zwijgrecht, waarop door een cautie moet worden gewezen, evenwel slechts toe aan de bestuurders van de rechtspersoon. Daargelaten nog dat niet is gebleken dat de monteur en de chef werkplaats hun verklaringen onder dwang hebben afgelegd, is hier van belang dat zij niet (mede) bestuurder van [appellante] zijn. Voorafgaand aan hun verklaringen hoefde daarom in dit geval geen cautie te worden gegeven. Ook het feit dat de erkende werkplaats in dit geval deel uitmaakt van het bedrijf, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de verklaringen zijn verkregen in strijd met het verbod op gedwongen zelfincriminatie zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM. Hun verklaringen mochten daarom, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag worden gelegd en hoefden niet van het bewijs te worden uitgesloten. Om deze reden slaagt het betoog van de minister.

Wat betreft het bewijs in de vorm van feitelijk materiaal, heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1011) dat het EHRM in het arrest van 17 december 1996, Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791, heeft overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (dus: het wilsonafhankelijk materiaal). De rechtbank heeft, zij het om andere redenen, terecht geoordeeld dat de aanwezigheid van het feitelijke materiaal in de bewijsvoering mocht worden gebruikt. Daargelaten of dat bewijs onafhankelijk van de wil van [appellante] bestaat of dat het is verkregen, is ook hier van belang dat het niet de bestuurder van [appellante], maar de monteur en de chef werkplaats zijn geweest die het feitelijke materiaal hebben getoond. De Afdeling komt dan ook niet toe aan een bespreking van het standpunt van [appellante] over het Chambaz-arrest. Het betoog van [appellante] slaagt niet.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@130691/202003245-1-a3/