ABRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2676 – Waarschuwing Wav stillegging -overtreding ten onrechte gegeven gelet op beperkte aard en omvang overtredingen vs. potentiële gevolgen stilleggen bedrijf.

“9.       [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de waarschuwing deugdelijk heeft gemotiveerd. [appellante] voert aan dat de waarschuwing niet gerechtvaardigd is, omdat zij over geruime tijd genomen slechts twee overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft begaan en dat in het niet valt bij de meer dan 50.000 uitzend- en payrollkrachten die zij jaarlijks te werk stelt. De twee overtredingen zijn volgens [appellante] qua aard en omvang niet ernstig genoeg om de waarschuwing te rechtvaardigen. Verder blijft de waarschuwing vijf jaar staan en de kans is zeer groot dat binnen die tijd opnieuw een overtreding zal plaatsvinden, gelet op de omvang van de onderneming. In dit kader heeft [appellante] in hoger beroep een boeterapport van 23 december 2021 over een derde overtreding van artikel 2, eerste lid van de Wav overgelegd. Ter zitting heeft zij toegelicht dat zij dit boeterapport heeft overgelegd om te onderbouwen dat overtredingen ondanks controleprocedures nooit volledig kunnen worden voorkomen. Een eventuele stillegging van haar miljoenenbedrijf als gevolg van de nieuwe overtreding is niet proportioneel en zal verstrekkende gevolgen hebben, zoals het verlies van certificering en daardoor het verlies van klanten. De waarschuwing is volgens [appellante] dan ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

9.1.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 17b van de Wav (Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, blz. 16, 17 en 20) volgt dat het preventief stilleggen van werkzaamheden in principe in drie stappen gebeurt. Bij een eerste overtreding legt de staatssecretaris alleen een enkelvoudige boete op. Bij een tweede overtreding legt hij een dubbele boete op en geeft hij een waarschuwing dat bij herhaling van de overtreding stillegging van de werkzaamheden volgt. Bij een derde overtreding legt hij een drievoudige boete op en heeft hij de mogelijkheid om over te gaan tot stillegging van de werkzaamheden. Het besluit om werkzaamheden stil te leggen en of het daarbij gaat om het hele bedrijf of specifieke werkzaamheden neemt de staatssecretaris aan de hand van de concrete situatie en de gevolgen van dit besluit voor het betrokken bedrijf en derden. Bij dit besluit wegen de maatschappelijke en economische gevolgen van het stilleggen en de positie van de werknemers mee.

9.2.    [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de waarschuwing deugdelijk heeft gemotiveerd. Op zichzelf heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een herhaalde overtreding als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van de Wav gelezen in samenhang met artikel 4b, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: BuWav); zie onder 8. De staatssecretaris had dus de bevoegdheid de waarschuwing op te leggen.

Uit artikel 4b van het BuWav en artikel 4 van de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten (hierna: de Beleidsregel) volgt evenwel dat de staatssecretaris bij het toepassen van deze bevoegdheid moet afwegen: de aard en omvang van de overtreding, de maatschappelijke en economische gevolgen van een eventuele stillegging en of een boete is gematigd.

De staatssecretaris is in zijn besluit hoofdzakelijk ingegaan op de matiging van de boete. Ter zitting heeft hij desgevraagd toegelicht dat bij [appellante] inderdaad met name is gekeken naar de vraag of de mate van verwijtbaarheid tot matiging van de boetes heeft geleid. Verder wordt in het besluit van 26 juni 2020 nog gesteld dat het lage foutpercentage ook geen reden is af te zien van een waarschuwing omdat in relatief korte tijd twee overtredingen zijn geconstateerd en niet is gebleken dat maatregelen zijn getroffen om deze te voorkomen. De staatssecretaris heeft ter zitting verder toegelicht dat hij pas bij een eventueel besluit tot stillegging gaat kijken naar alle andere omstandigheden.

De staatssecretaris is in de besluiten van 8 april 2020 en 26 juni 2020 in strijd met de Beleidsregel niet ingegaan op de maatschappelijke en economische gevolgen bij een eventuele stillegging van [appellante]. Volgens het beleid moet die afweging ook bij het geven van een waarschuwing worden gemaakt en mag deze niet worden doorgeschoven naar het besluit tot stillegging.

Ook heeft de staatssecretaris in zijn besluiten niet deugdelijk gemotiveerd waarom de aard en omvang van de overtredingen niet leiden tot het afzien van een waarschuwing. De eerste boete betrof namelijk een student die rechtmatig verblijf in Nederland had en minder dan tien uur per week arbeid verrichtte en minimumloon ontving, waarvoor belastingen en premies werden afgedragen, de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden niet waren geschonden en hij in de administratie verantwoord was. Dat in relatief korte tijd twee overtredingen zijn geconstateerd en niet is gebleken dat maatregelen zijn getroffen om deze te voorkomen, is in het licht daarvan onvoldoende motivering op dit punt.

9.3.    Het betoog slaagt.”


https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2022:2676