ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2067 – Woning sluiting onevenwichtig – speelde wel een rol in het criminele circuit, maar niet zodanig dat sprake was van een professionele drugsproductie. 12 maanden te lang, 6 maanden wel evenwichtig.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 15 april 2026
Datum publicatie: 15 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:2067
Hoger beroep
5. [appellant] betoogt dat de uitspraak van de rechtbank onzorgvuldig tot stand is gekomen. De burgemeester heeft geen verweerschrift ingediend en is niet op de zitting bij de rechtbank verschenen. Volgens [appellant] moeten zijn standpunten daarom als onweersproken worden beschouwd. De rechtbank gaat in de uitspraak niet in op wat [appellant] in beroep naar voren heeft gebracht en wat op de zitting is besproken. De uitspraak kan daarom geen stand houden, aldus [appellant].
5.1. De bestuursrechter beoordeelt zelfstandig aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot woningsluiting rechtmatig is. Het enkele feit dat de burgemeester geen verweerschrift heeft ingediend en niet op de zitting is verschenen, betekent niet dat de door [appellant] ingenomen standpunten als onweersproken en daarom als juist moeten worden aangemerkt. De uitspraak van de rechtbank bevat een motivering zoals vereist door artikel 8:77, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank, anders dan [appellant] stelt, ook zijn beroepsgronden betrokken. Het betoog slaagt dan ook niet.
6. [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester de woning niet voor meer dan zes maanden heeft mogen sluiten. Er was geen verstoring van de openbare orde en geen overlast in de omgeving van de woning. Ook is niet onderbouwd dat er een loop van en naar de woning was. Volgens [appellant] was geen sprake van feitelijke handel in of vanuit de woning. Er zijn geen attributen aangetroffen die daarop duiden. De attributen die wel zijn aangetroffen duiden volgens [appellant] op handel buiten de woning. Omdat slechts sprake was van een vermoeden en de motivering van de burgemeester onvoldoende is, mocht de rechtbank er niet zomaar van uitgaan dat er sprake was van handel in of vanuit de woning. Ook betwist [appellant] dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk. De rechtbank motiveert de vaststelling daarvan niet. [appellant] stelt ten slotte dat de woningsluiting onevenredig is omdat deze tot gevolg heeft gehad dat [appellant] in grote financiële problemen is geraakt. Hij heeft te maken gehad met dubbele huurlasten.
6.1. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
6.2. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning van [appellant] te sluiten. Ook is niet in geschil dat de sluiting een geschikt middel was om het beoogde doel van de burgemeester te bereiken. De vraag die in hoger beroep voorligt is of de sluiting voor twaalf maanden in de gegeven omstandigheden ook noodzakelijk en evenwichtig is. [appellant] heeft betoogd dat een sluiting voor meer dan zes maanden onevenredig is en dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel had moeten volstaan.
6.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester sluiting van de woning voor twaalf maanden noodzakelijk heeft mogen achten. Daarvoor acht de Afdeling het volgende van belang.
6.4. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer een woning ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van de woning over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op het voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
6.5. De burgemeester heeft de woning van [appellant] op grond van het Damoclesbeleid Heerlen gesloten. Volgens dat beleid wordt bij een eerste constatering van harddrugs de woning voor twaalf maanden gesloten. In de woning van [appellant] zijn 17,3 gram cocaïne, 233 gram hennep en 2,46 gram MDMA aangetroffen. Het staat vast dat dit een overschrijding is van de toegestane hoeveelheid drugs. Het beleid van de burgemeester maakt geen onderscheid in de aangetroffen hoeveelheid harddrugs, of er naast harddrugs ook wapens, geld of andere attributen worden aangetroffen of dat de woning in een wijk ligt waar veel problemen met drugs zich voordoen. De enkele vondst van harddrugs die de toegestane hoeveelheid overschrijdt, is volgens het beleid voldoende om handhavend op te treden en bij een eerste overtreding de woning te sluiten voor een periode van twaalf maanden. Op de zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester daarover alleen verklaard dat het besluit mogelijk anders had geluid als de woning niet in een wijk lag waar niet of nauwelijks problemen met drugs zijn. De woning ligt volgens de burgemeester in een wijk waar in de vijf jaar voorafgaand aan de sluiting van de woning van [appellant] meerdere vondsten van soft- en harddrugs zijn geweest en meerdere sluitingen hebben plaatsgevonden.
6.6. De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester met het enkele toepassen van het Damoclesbeleid onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een sluiting van twaalf maanden ook in het geval van [appellant] noodzakelijk is. Aan de omstandigheden van dit geval kan niet een dermate groot gewicht worden toegekend, dat dit een sluiting van twaalf maanden bij een eerste overtreding rechtvaardigt. Er is geen ‘loop’ naar de woning waargenomen, er zijn geen wapens of een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen en wat betreft de aangetroffen attributen beperken die zich tot een weegschaal met residu en verschillende verpakkingsmaterialen. Daarmee vervulde de woning wel een rol binnen de keten van drugshandel, maar kan, bijvoorbeeld, niet worden gesteld dat de woning een professionele productielocatie was waarbij de kans op herhaling vanwege het professionele karakter groot is en de burgemeester om die reden heeft mogen overgaan tot sluiting van de woning voor twaalf maanden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:189, onder 7). Het besluit tot sluiting van de woning voor twaalf maanden is dan ook onevenredig in verhouding tot de met het sluitingsbesluit te dienen doelen. De burgemeester heeft de woning gelet op de omstandigheden van dit geval slechts mogen sluiten voor zes maanden. Ook acht de Afdeling een sluiting voor zes maanden evenwichtig. [appellant] heeft aangegeven zich neer te leggen bij een sluiting van die duur.
6.7. Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:2067