ABRvS 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2826 – Overtreder slaagt erin om voldoende twijfel te zaaien over inhoud bestuurlijke rapportage dat enkel rapportage niet genoeg is om sluiting te rechtvaardigen.

6.2.    Een bestuursorgaan mag, onverminderd zijn eigen verantwoordelijkheid om een besluit zorgvuldig voor te bereiden, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze bevindingen eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

6.3.    Volgens [wederpartij] bestaat geen relatie tussen de drugs en het eetcafé en kan dit ook niet uit de bestuurlijke rapportage worden afgeleid. Daarbij komt dat de MMA-meldingen onbetrouwbaar zijn. De meldingen zijn summier en onvoldoende concreet omdat ze te weinig context bevatten. Bovendien bevatten de meldingen onjuistheden. In één van de meldingen is bijvoorbeeld opgenomen dat hij geen eten zou verkopen, hetgeen onjuist is. Daarnaast betwist hij ten stelligste dat ooit hard- en softdrugs zijn verkocht vanuit het eetcafé. Dat een persoon verklaard zou hebben dat hij hasj zou hebben gekocht bij het eetcafé, betekent nog niet dat dit voor waar aangenomen moet worden, aldus [wederpartij].

6.4.    Uit de bestuurlijke rapportage van 25 juli 2019 blijkt dat de politie op 5 mei 2018 een MMA-melding heeft ontvangen dat [wederpartij] actief zou zijn binnen het criminele circuit en zou handelen in cocaïne. Hij zou meerdere wapens hebben van het type AK-47 die hij op de zolder van zijn woning zou bewaren en zou gebruiken voor ripdeals. Uit de bestuurlijke rapportage en de daarbij gevoegde processen-verbaal blijkt niet dat deze melding is geverifieerd. Van nader onderzoek of het aantreffen van dergelijke wapens is niet gebleken. Op 3 juli 2018 heeft de politie een MMA-melding ontvangen dat softdrugs zouden worden verhandeld in het eetcafé. Uit de bestuurlijke rapportage en de daarbij gevoegde processen-verbaal blijkt niet of deze melding is onderzocht. Op 28 november 2018 ontvangt de politie wederom een MMA-melding dat harddrugs zouden worden verhandeld in het eetcafé. Daarbij zou opvallend zijn dat geen eten wordt verkocht in de horecagelegenheid. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt niet dat deze melding is geverifieerd. [wederpartij] heeft onweersproken gesteld dat hij wel degelijk eten verkoopt in het eetcafé. Op 28 maart 2019 heeft de politie opnieuw een melding ontvangen dat er softdrugs zouden worden verkocht bij het eetcafé. Op 17 april 2019 heeft de politie in het kader van een strafrechtelijk onderzoek met veertien agenten en een speurhond het eetcafé doorzocht. De burgemeester was niet betrokken bij de beslissing om deze inval te doen. Ter zitting heeft de burgemeester bevestigd dat hij van de inval ook niet op de hoogte was gesteld. De gevonden drugs waren van een bezoeker van het eetcafé die deze op de grond had gegooid en die geen vaste klant was. Na de inval zijn op 23 mei 2019, 3 juni 2019 en 26 juni 2019 nieuwe MMA-meldingen gedaan over dealen in hard- en softdrugs bij het eetcafé. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat die meldingen enkel op vermoedens zijn gebaseerd en niet zijn geverifieerd. De burgemeester heeft deze vermoedens ook niet verder geconcretiseerd. [wederpartij] heeft verklaard dat hij vermoedt dat de MMA-meldingen, nadat hij de eigenaar is geworden van het eetcafé, door één en dezelfde persoon zijn gedaan. Die vermoedens heeft hij tot op zekere hoogte concreet gemaakt door te wijzen op de tijdstippen en data waarop de MMA-meldingen zijn gedaan en de mogelijke aanleiding voor deze meldingen te benoemen. De burgemeester heeft dit niet nader onderzocht. Verder heeft een persoon op 21 februari 2019 als verdachte in een verhoor verklaard dat hij 41,2 g hasj heeft gekocht bij het eetcafé. Uit hetgeen in een proces-verbaal van 9 april 2019 daarover is opgenomen, blijkt niet of de hasj in of bij het café is gekocht. Uit waarnemingen van politieagenten blijkt dat zij op 3 maart 2019 hebben gezien dat een lid van de motorclub Satudarah het eetcafé verliet. Volgens de politie heeft deze persoon antecedenten op het gebied van de Opiumwet, maar het laatste antecedent dateerde op het moment van schrijven van het proces-verbaal van 9 april 2019 van 4 augustus 2014. Deze waarneming zegt niets over de relatie tussen de bij de inval gevonden drugs en het eetcafé. Op de dag dat het eetcafé is doorzocht zouden volgens de bestuurlijke rapportage agenten getuige zijn geweest van een drugsdeal voor de deur van het eetcafé, maar het proces-verbaal van die observatie dat is opgesteld op 18 april 2019 beschrijft dat niet met zoveel woorden. Verder hebben buurtbewoners verklaard dat ‘zaken niet in de haak zijn’ en ‘er zouden regelmatig mensen voor twee minuten bij het eetcafé naar binnen gaan’. Deze verklaringen zijn onvoldoende concreet. Daarbij komt dat [wederpartij] heeft verklaard dat hij van buurtbewoners en de wijkagent alleen maar positieve reacties heeft ontvangen. Het had in de rede gelegen dat de burgemeester navraag zou hebben gedaan bij bijvoorbeeld de wijkagent. Daarvan is niet gebleken.

Verder is één enkele observatie dat een bezoeker van het eetcafé kortstondig buiten die gelegenheid vermoedelijk drugs zou hebben verhandeld onvoldoende om aan te nemen dat een relatie bestaat tussen de aangetroffen drugs en de horecagelegenheid. Dat diverse op het moment van de doorzoeking aanwezige personen in het eetcafé antecedenten hebben met betrekking tot de Opiumwet, mag zo zijn, maar dat is met één enkele observatie die een vermoeden oplevert van een drugsdeal buiten en het aantreffen van 1,92 g cocaïne afkomstig van één bezoeker, niet genoeg om aan te nemen dat er een relatie is tussen de drugs en het eetcafé. De stelling van de burgemeester dat de cocaïne verspreid in het eetcafé is gevonden, is onjuist. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in het midden van de lounge op de vloer tussen de tafels, een zak met kleinere gripzakjes wit poeder werd gevonden. De verwijzing van de burgemeester naar de uitspraak van 5 september 2018 kan hem niet helpen. Die uitspraak verschilt, anders dan de burgemeester veronderstelt, van deze zaak. In die uitspraak waren andere, grotere, hoeveelheden drugs gevonden. De verdachte eigenaar van de drugs verklaarde bovendien de drugs te willen verstrekken aan vrienden, hetgeen in deze zaak niet aan de orde is. Ook kwam hij vaker in de horecagelegenheid. Verder waren er vele overlastmeldingen van auto’s die aan- en afreden, waarbij vanuit de zijdeur van de horecagelegenheid personen naar de auto liepen en de personen kortstondig handen schudden. Auto’s stonden dubbel geparkeerd. Over een lange periode rapporteerde de politie dat de horecagelegenheid in die uitspraak een verzamelplaats van criminelen was. Ook brachten buitenlandse toeristen een bezoek aan de horecagelegenheid om drugs te kopen. Verder was er een klant van de horecagelegenheid die andere klanten met een automatisch vuurwapen had bedreigd. Tot slot was er een aanzienlijk groter aantal meldingen van buurtbewoners, straatcontactpersonen, buurtpreventie, een expert wijkagent en een stadsmarinier. Dat is in deze zaak allemaal niet aan de orde.

6.5.    De conclusie is dat de burgemeester de sluiting van het eetcafé niet zonder meer op de bestuurlijke rapportage van 25 juli 2019 kon baseren omdat [wederpartij] aannemelijk heeft gemaakt dat daaruit niet volgt dat er een verband bestaat tussen de drugs en het pand waarin ze zijn aangetroffen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2021:2826