ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923 – Pas na 10 maanden pand sluiten ogv Opiumwet is te laat.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 16 juli 2025

Datum publicatie: 16 juli 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2923

Fragment:

Beoordeling van het hoger beroep

6.       In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.

7.       Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel houdt doorgaans in dat een woning voor een bepaalde duur wordt gesloten. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Hiertoe moet de burgemeester beoordelen of hij, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Als de burgemeester het beoogde doel met een minder ingrijpend middel dan sluiting kan bereiken, is sluiting niet noodzakelijk. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.

7.1.    De politie heeft de hennepkwekerij op 3 augustus 2021 in de woning aangetroffen. De woning is tot aan het besluit op bezwaar op 12 april 2022 feitelijk niet gesloten geweest, onder andere wegens een uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2022, zaak nr. 21/3353. In het besluit op bezwaar staat dat de burgemeester heeft besloten om de sluiting van de woning op 3 juni 2022 te effectueren. Dat is tien maanden nadat de hennepkwekerij is aangetroffen. Ter onderbouwing van de sluiting heeft de burgemeester in zijn besluit op bezwaar erop gewezen dat het gaat om een ernstige overtreding. Daarom mag volgens de burgemeester aangenomen worden dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel en is alleen al om die reden sluiting noodzakelijk. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat het feit dat er geen meldingen over loop of overlast zijn niet wil zeggen dat er niet daadwerkelijk loop is geweest, dat er sprake is van gevaarzetting door het verkrijgen van stroom door diefstal en dat de woning ligt in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. De burgemeester acht daarbij van belang dat hij met het sluiten van de woning een signaal afgeeft dat hij drugscriminaliteit niet accepteert en dat hij daartegen optreedt.

7.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door de burgemeester genoemde doelen onvoldoende zijn om de woning na tien maanden nog te sluiten. De ernst van de overtreding op zichzelf is daarvoor onvoldoende. De overtreding is immers op 3 augustus 2021 geëindigd, doordat de kwekerijen toen zijn ontmanteld. Niet in geschil is dat de sluitingsrapportage die aan de besluitvorming van de burgemeester ten grondslag ligt zeer summier is. Daaruit blijkt enkel van de aangetroffen hennepplanten op de twee kamers, de mededeling van Enexis dat de stroom illegaal werd verkregen en een korte verklaring van [appellant]. Er is verder niets bekend of vermeld over de impact van de overtreding op de omgeving, over de inrichting en de professionaliteit van de kwekerij of enig ander aanknopingspunt voor het kunnen beoordelen van de concrete omstandigheden van dit geval in relatie tot de met de sluiting van de woning beoogde doelen. Doordat ingevolge de beslissing op bezwaar de sluiting van de woning in dit geval pas tien maanden na het constateren van de overtreding plaats zou vinden en er in die periode niets relevants is voorgevallen, mag – bij gebrek aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval – verondersteld worden dat door dit tijdsverloop de situatie ter plaatse al is hersteld en de negatieve effecten van de overtreding, waaronder de mogelijke rol van de woning in het criminele drugscircuit, ongedaan gemaakt zijn. Dit maakt het middel van sluiting niet meer geschikt om de beoogde doelen te bereiken. Voor zover de burgemeester met de sluiting van de woning een signaal naar de buurt wil afgeven, heeft de rechtbank terecht overwogen dat een bestuursrechtelijke herstelsanctie niet bedoeld is om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. Dat betekent dat in dit geval moet worden geoordeeld dat het middel van de sluiting niet meer geschikt was om de beoogde doelen te bereiken.

7.3.    De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2756, onder 5, kan de burgemeester niet baten. Uit die uitspraak volgt dat als de burgemeester een pand nog niet feitelijk heeft gesloten en daar nog wel toe wil overgaan, hij opnieuw een beoordeling moet maken van de geschiktheid en noodzaak van het alsnog sluiten als meer dan één jaar is verstreken sinds de datum dat de sluiting volgens het bestuursdwangbesluit in zou zijn gegaan. Deze beoordeling van de geschiktheid en noodzaak om na het verstrijken van meer dan een jaar als hiervoor aangegeven alsnog te sluiten, is volgens die uitspraak een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Wat in die uitspraak is overwogen, laat onverlet dat de burgemeester zijn primaire besluit, beslissing op bezwaar of een eventueel nader genomen besluit moet nemen met inachtneming van het kader dat hiervoor onder 7 uiteengezet is.

Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2923

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *