ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924 – Sluiting onevenwichtig. Huurder treft geen verwijt, maar zijn huurovk wordt door sluiting ontbonden.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 16 juli 2025

Datum publicatie: 16 juli 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2924

Fragment:

9.       Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, zijn er naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten dat [appellant] een verwijt kan worden gemaakt van wat er op 26 januari 2023 in zijn woning is gebeurd en aangetroffen. Niet in geschil is dat [appellant] op 26 januari 2023 niet in de woning aanwezig was. Hij heeft onweersproken verklaard dat hij vanaf 24 januari 2023 bij een vriend logeerde.

Daarnaast heeft hij verklaard dat het bedrag van € 35.215,00 waarmee de vriendin van zijn zoon naar buiten liep van hem is. Hij heeft toegelicht dat dit zijn spaargeld was en dat het in de Marokkaanse gemeenschap niet ongebruikelijk is om thuis contant geld te sparen. Hij heeft dit onderbouwd met pintransacties waaruit blijkt dat hij regelmatig bedragen van € 1.000,00 opnam en een verklaring van zijn ex-vrouw, waarin staat dat hij altijd contant geld in huis had. Zijn zoon heeft verteld dat hij eerder op de dag op 26 januari 2023 met de politie in aanraking is gekomen en dat hij vermoedde dat de politie een huiszoeking zou gaan doen. Hij wilde voorkomen dat het bedrag van zijn vader daarbij in beslag genomen zou worden en heeft zijn vriendin daarom gevraagd om het bedrag mee te nemen. Het kan niet worden uitgesloten dat die verklaring juist is, mede gelet op het feit dat in de bestuurlijke rapportage de aanleiding voor de observatie van de woning niet is vermeld en daarin staat dat de politie de drie personen rond 16.00, 17.00 en 18.00 uur de woning heeft zien in- en uitgaan. Daarom zou kunnen kloppen dat de zoon van [appellant] die dag de woning van zijn vader heeft gebruikt voor drugsgerelateerde activiteiten en het geld van zijn vader heeft laten meenemen.

De Afdeling volgt de burgemeester niet in zijn standpunt dat van [appellant] verwacht had mogen worden dat hij tijdens zijn afwezigheid meer toezicht op zijn woning zou houden omdat hij op de hoogte was van de twee antecedenten van zijn zoon met betrekking tot de handel in softdrugs. Alleen dat feit is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om van [appellant] meer toezicht te verwachten. Daarvoor is van belang dat in de bestuurlijke rapportage van de politie en de besluitvorming van de burgemeester niet staat dat de woning als drugspand bekend stond of anderszins eerder al met drugs of met de antecedenten van de zoon in verband was gebracht, in welk geval zonder meer van [appellant] meer toezicht verwacht had mogen worden. Het enige dat bekend is, zijn de observaties van de politie op 26 januari 2023 zoals die onder 2 zijn beschreven. Uit hetgeen die dag is gebeurd, kan niet worden afgeleid dat de woning al langer bekend stond als een plaats waar in drugs werd gehandeld of drugs werden bewaard. Er zijn geen eerdere politiewaarnemingen of meldingen van omwonenden over drugsgerelateerde overlast. Aan de hand van de goederen die in de woning en bij de bezoekers zijn aangetroffen, kan evenmin worden afgeleid dat die daar al vóór 26 januari 2023 lagen. Gelet op deze omstandigheden zijn er geen aanknopingspunten dat [appellant] kan worden verweten dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van drugs of dat hij daar redelijkerwijs van op de hoogte had kunnen zijn.

10.     Dat [appellant] geen verwijt treft en de nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de belangen die met sluiting van de woning worden gediend. De burgemeester heeft erop gewezen dat in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit en dat de woning bekend stond als drugspand. Zoals onder 9 overwogen, is van dat laatste niet gebleken, omdat alleen op 26 januari 2023 is geconstateerd dat drie personen met drugs de woning uit liepen. De woning sluiten om de bekendheid als drugspand weg te nemen, was dus niet aan orde. Wat overblijft is dat er in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Deze omstandigheid op zichzelf weegt minder zwaar dan de ingrijpende gevolgen die sluiting van de woning meebrengt, mede vanwege het feit dat [appellant] geen verwijt treft. Dit betekent dat het belang van sluiting niet opweegt tegen de belangen van [appellant]. Hierbij is van belang dat de burgemeester er rekening mee diende te houden dat Woonbron door het besluit tot sluiting van de woning een zelfstandige grondslag tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst zou krijgen, gelet op het bepaalde in artikel 7:231, tweede lid, van de Burgerlijk Wetboek, waardoor [appellant] mogelijk zijn woning zonder tussenkomst van de kantonrechter kwijt zou raken. Dat is uiteindelijk bij brief van 18 april 2023 ook gebeurd. Weliswaar heeft de rechtbank erop gewezen dat Woonbron bij brief van 7 februari 2023 al aangekondigd had dat de huurovereenkomst gerechtelijk ontbonden zou worden, maar dat doet aan het voorgaande niet af.

11.     Gelet op de constateringen op 26 januari 2023 en de omstandigheid dat niets wijst op betrokkenheid van [appellant] daarbij en hem geen verwijt treft en hij door de sluiting zijn woning heeft verloren, zijn de nadelige gevolgen van de sluiting onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De burgemeester had daarom aanleiding moeten zien om af te zien van het sluiten van de woning.

Het betoog slaagt.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2924

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *