ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3223 – Hond elf maandan na bijtincident in beslag genomen – mag vanwege onrust in omgeving en recidive.

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 16 juli 2025

Datum publicatie: 16 juli 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:3223

Fragment:

Bevoegdheid van de burgemeester

8.       De burgemeester betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de herdershonden niet in beslag mocht nemen op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. Hiertoe voert hij als eerste aan dat de rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de term ‘onmiddellijkheidssituatie’. In dit geval duurde de vrees na het bijtincident van 31 december 2020 voort en bestond ook gegronde vrees voor nieuwe verstoringen van de openbare orde en rust door de herdershonden, aldus de burgemeester.

9.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de burgemeester in strijd met de artikelen 8 en 9 van de Beleidsregels gevaarlijke en bijtende honden heeft gehandeld. Zij stellen dat zich geen zeer ernstig bijtincident heeft voorgedaan waarbij een mens gewond is geraakt en dat de burgemeester daarom niet mocht overgaan tot inbeslagname. Dit heeft de rechtbank niet onderkend, aldus [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B].

10.     Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, luidt: “De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.”

10.1.  In artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels gevaarlijke en bijtende honden staat dat de burgemeester kan besluiten tot onvrijwillige inbeslagname van een hond op grond van artikel 172 van de Gemeentewet bij (zeer ernstige vrees voor het ontstaan van) een zeer ernstig bijtincident. Een zeer ernstig bijtincident wordt in artikel 1, aanhef en onder c, van deze Beleidsregels beschreven als een hond die een persoon bijt als gevolg waarvan de persoon lichamelijk en/of geestelijk letsel heeft en/of daardoor ernstige, langdurige of blijvende medische gevolgen ervaart.

11.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266, heeft artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet volgens de geschiedenis van de totstandkoming ervan betrekking op situaties waarin enerzijds geen overtreding van wettelijke voorschriften ter bewaring van de openbare orde plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan kan worden gesproken. De bepaling dient ertoe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen waarbij de bevelen van de burgemeester noodzakelijk moeten zijn voor de handhaving van de openbare orde. De bevelen mogen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten proportioneel en subsidiair zijn (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16-17).

Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is toepasbaar als zich een verstoring van de openbare orde voordoet waarin onmiddellijk ingrijpen is vereist. Ook indien zich een langer durende verstoring van de openbare orde voordoet is de burgemeester, zolang die verstoring voortduurt, in beginsel bevoegd om deze bevoegdheid aan te wenden. Artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet is ook toepasbaar in gevallen waarin zich weliswaar geen verstoring van de openbare orde voordoet, maar er wel ernstige vrees bestaat voor het ontstaan daarvan.

11.1.  Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd was om de herdershonden in beslag te nemen. De burgemeester heeft in het besluit van 9 november 2021 toegelicht dat niet alleen het incident van 31 december 2020 de aanleiding was voor de inbeslagname, maar ook eerdere incidenten met andere honden van [appellant sub 2A] en/of [appellant sub 2B] sinds 2014. Zo is Max op 4 januari 2019 betrokken geweest bij een bijtincident waarbij een persoon lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naast de ordeverstoring op 31 december 2020, bezien in het licht van de eerdere incidenten, heeft de burgemeester bij zijn besluitvorming ook meegewogen dat door het incident onrust was ontstaan in de woonomgeving van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Dit wordt ondersteund door een petitie die is ondertekend door 95 buurtbewoners. Hieruit blijkt dat de onrust, en daarmee de verstoring van de openbare orde, zich niet slechts korte tijd na het incident van 31 december 2020 voordeed, maar daarna voortduurde. Ook was er ernstige vrees voor een toekomstige verstoring van de openbare orde, namelijk dat de herdershonden opnieuw betrokken zouden raken bij een incident waarbij dieren of mensen gewond zouden raken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een verstoring van de openbare orde voordeed, of in elk geval de ernstige vrees aanwezig was voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde waarbij dieren of mensen gewond zouden raken. Omdat in de artikelen 8 en 9 van de Beleidsregels gevaarlijke en bijtende honden staat dat de burgemeester kan besluiten tot onvrijwillige inbeslagname van een hond op grond van artikel 172 van de Gemeentewet bij zeer ernstige vrees voor het ontstaan van een zeer ernstig bijtincident, heeft de burgemeester ook niet in strijd met deze artikelen gehandeld.

Het betoog van de burgemeester slaagt. Het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3223