ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6155 – Is een verbod om met Opiumwet middelen ‘gelijkende waar’ te verkopen in strijd met lex certa? Nee, en: 3-MMC valt daar gewoon onder.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 17 december 2025
Datum publicatie: 17 december 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:6155
Fragment:
Valt 3-MMC onder ‘daarop gelijkende waar’ uit artikel 2:74 van de APV?
5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen verlangt het lex certa-beginsel, dat onder meer besloten ligt in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedragingen omschrijft. Daarbij moet evenwel niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, voortvloeiend uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1028, onder 4.1.
5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval voldoende duidelijk is dat 3-MMC onder de zinsnede ‘daarop gelijkende waar’ valt. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 4.3.1 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daar nog het volgende aan toe.
5.2. Artikel 2:74 van de APV is gebaseerd op de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en luidt exact hetzelfde. In de toelichting op die modelverordening staat over artikel 2:74:
“(…) Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In de praktijk gaat het met name om harddrugs. In het artikel wordt evenwel gesproken over middelen uit lijst 2 en 3 van de Opiumwet, dus zowel hard- als softdrugs en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt (denk aan lachgas), maar nog niet op de lijst voorkomen en waartegen wel moet worden opgetreden of aan nepdrugs (bijvoorbeeld waspoeder). (…)”
In die toelichting wordt ook verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 17 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1779, onder 6.4, over artikel 83 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam. Dat artikel komt in zijn bewoordingen in grote mate overeen met artikel 2:74 van de APV. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen:
“Ook de klacht dat de in art. 83 APV vervatte bepaling onverbindend is wegens te grote onbepaaldheid faalt, aangezien de bepaling – ook voor zover zij melding maakt van ‘daarop gelijkende waar’, waarmee kennelijk is bedoeld waar die voor enig verdovend middel kan doorgaan – voldoende duidelijk maakt welke gedraging daarbij is verboden en strafbaar gesteld.”
De zinsnede ‘daarop gelijkende waar’ is gelet op het voorgaande niet in strijd is met het lex certa-beginsel. Uit de slotzin van het hierboven weergegeven citaat uit de toelichting van de VNG blijkt verder voldoende duidelijk dat 3-MMC onder ‘daarop gelijkende waar’ valt.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:6155
Leave a Reply