ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6177 – Opschorting begunstigingstermijn tot zes weken na ‘uitspraak’ is niet ‘na verzending uitspraak’. Invorderingsbevoegdheid is verjaard.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 17 december 2025
Datum publicatie: 17 december 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:6177
Fragment:
Het oordeel van de Afdeling
5.2. De Afdeling stelt vast dat uit overweging 11.3 van de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:6302, kan worden afgeleid dat het college de last heeft opgeschort tot zes weken nadat op het beroep van [appellant] is beslist. Dit is ook door het college bevestigd in het besluit op bezwaar van 30 november 2022, waarin staat dat het college de toenmalige gemachtigde van [appellant] telefonisch op de hoogte heeft gesteld dat de begunstigingstermijn conform het toen geldende beleid is opgeschort tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank en dat er bij e-mail van 9 april 2018 ook schriftelijk aan deze gemachtigde is medegedeeld dat het college bereid is om de begunstigingstermijn op te schorten. Gelet hierop eindigde de begunstigingstermijn naar het oordeel van de Afdeling zes weken na de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2019, te weten op 20 mei 2019. Anders dan het college, leidt de Afdeling uit de tekst van de uitspraak van de rechtbank van 8 april 2019 en het besluit van 30 november 2022 niet af dat de begunstigingstermijn zou zijn opgeschort tot zes weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, op de laatste dag van de hoger beroepstermijn. De Afdeling volgt de rechtbank dus niet in haar oordeel dat de begunstigingstermijn zou zijn opgeschort tot zes weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank.
5.3. Aangezien de begunstigingstermijn ten tijde van het verzoek van 21 mei 2019 al was verstreken, kon deze niet meer worden verlengd. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1340, onder 13.1.
De Afdeling volgt het college dan ook niet in zijn standpunt dat de begunstigingstermijn met betrekking tot de bouwwerken waarvoor sloopwerkzaamheden nodig waren met de brief van 13 juni 2019 verlengd is. Hoewel [appellant] vóór het verstrijken van de begunstigingstermijn een verzoek om een voorlopige voorziening had ingediend, was dit verzoek niet gedaan om de begunstigingstermijn te verlengen, maar om de opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot bouwwerk 14 te schorsen. Vóór afloop van de begunstigingstermijn lag er dus geen tijdig verzoek om verlenging en kon de begunstigingstermijn niet achteraf met de brief van 13 juni 2019 nog worden verlengd. Dat de geldigheid van deze brief tussen [appellant] en het college in rechte zou vaststaan, doet daar niet aan af.
De Afdeling volgt het college ook niet in zijn standpunt dat met de brief van 13 juni 2019 een nieuwe begunstigingstermijn is gesteld. Het college wijst er terecht op dat in beginsel een nieuwe begunstigingstermijn aan de last kan worden verbonden indien nog niet alle dwangsommen zijn verbeurd, hetgeen op 13 juni 2019 ook het geval was, maar met de brief is geen nieuwe begunstigingstermijn aan de last verbonden. Uit de brief volgt alleen dat het college de oorspronkelijke begunstigingstermijn heeft beoogd te verlengen, wat gelet op het verstrijken van de begunstigingstermijn niet meer mogelijk was.
Voor zover het college heeft gesteld dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2019 inhoudt dat de begunstigingstermijn met betrekking tot bouwwerk 14 pas na de uitspraak op het hoger beroep is geëindigd, volgt dit evenwel niet uit die uitspraak. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak alleen beslist om de opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot bouwwerk 14 te schorsen tot een uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. Die beslissing is niet van invloed geweest op de afloop van de begunstigingstermijn.
5.4. Het voorgaande betekent dat de dwangsommen van rechtswege vanaf 21 mei 2019 zijn gaan verbeuren en tien weken later, op 30 juli 2019, waren volgelopen. Op grond van artikel 5:35 van de Awb, zoals dat destijds luidde, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Omdat de verjaring niet is gestuit als bedoeld in artikelen 4:105 en 4:106 van de Awb of is verlengd als bedoeld in artikel 4:111 van de Awb, was, anders dan waar partijen en de Afdeling eerder kennelijk vanuit zijn gegaan, de bevoegdheid om in te vorderen naar het oordeel van de Afdeling ten tijde van het besluit van 22 december 2021 al verjaard, zodat het college niet bevoegd was om dat besluit te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:6177