ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4403 – Vovo invordering dwangsom hangende hoger beroep: toezegging om niet in te vorderen in eerste aanleg geldt niet automatisch in hoger beroep.

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 17 september 2025

Datum publicatie: 24 september 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4403

Fragment:

8.       [verzoekster] betoogt dat de invordering prematuur is, omdat het besluit van 30 augustus 2024, waarbij de lasten I en II zijn opgelegd, nog niet onherroepelijk is geworden.

8.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de begunstigingstermijn om aan de lasten I en II te voldoen is geëindigd op 5 februari 2025 en dat [verzoekster] hem niet heeft verzocht om het besluit van 30 augustus 2024, voor zover dat niet is herroepen, te schorsen. Dat brengt met zich dat [verzoekster] na 5 februari 2025 dwangsommen kon verbeuren. Voor de vraag of het college bevoegd is om de dwangsommen in te vorderen, is niet bepalend of het besluit van 30 augustus 2024 onherroepelijk is geworden. Dat volgt ook uit artikel 5:39, eerste lid, van de Awb waarin de wetgever juist heeft bepaald dat een tegen een last onder dwangsom ingesteld rechtsmiddel mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende die beschikking betwist. Kortom: de wetgever gaat uit van samenloop van een nog lopend geschil over een handhavingsbesluit en een nieuw geschil over een invorderingsbesluit. Gelet hierop geeft het betoog geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

9.       [verzoekster] betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat het college hangende de procedure bij de Afdeling niet tot invordering zou besluiten. [verzoekster] voert aan dat het college op 10 september 2024 bij de rechtbank heeft gesteld dat tijdens de behandeling van het toen bij de rechtbank aanhangige verzoek om voorlopige voorziening niet zou worden gecontroleerd op naleving en eventuele verbeurde dwangsommen niet zouden worden ingevorderd.

9.1.    De uitlating van het college waarop [verzoekster] zich beroept, heeft geen betrekking op het verzoek waar het nu om gaat, maar op het verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank. Op dat laatste is beslist in de uitspraak van 22 januari 2025. Gelet hierop geeft het betoog geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

10.     [verzoekster] heeft ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht niet in staat zal zijn om de verbeurde dwangsommen te betalen. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter ook in de hoogte van het bedrag dat het college gaat invorderen geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4403