ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4419 – Boete net na inwerkingtreding wet. “In beginsel [mag] verwacht worden dat zij zich op de hoogte stellen van de van toepassing zijnde regelgeving”. Onbekendheid met de wet is geen verdediging.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 17 september 2025

Datum publicatie: 17 september 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4419

Fragment:

Beoordeling hoger beroep

7.       De Afdeling is van oordeel dat de door de rechtbank gewogen omstandigheden, zoals hierboven onder 5.1 tot en met 5.3 weergegeven, niet leiden tot de conclusie dat het college op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb de boete aan [partijen] op nihil had moeten stellen. Daartoe overweegt zij als volgt.

8.       Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan, als de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven om een boete te matigen. Voor zover de overtreder stelt dat een of meer van deze omstandigheden in dit geval aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2849.

9.       De rechtbank heeft geoordeeld dat niet duidelijk is geworden of heldere informatie is verstrekt over de wijzigingen en of destijds is vermeld dat er hoge boetes stonden op de overtredingen. De Afdeling volgt dit niet, omdat zij geen grond ziet voor het oordeel dat [partijen] onvoldoende mogelijkheid hebben gehad om bekend te raken met de vergunning- en meldplicht en de gevolgen van het schenden daarvan.

9.1.    Voor zover het gaat om bekendheid met de vergunningplicht en met de gevolgen van het schenden van de meldplicht, overweegt de Afdeling dat van [partijen], die hun woning gebruikten voor vakantieverhuur, in beginsel verwacht mag worden dat zij zich op de hoogte stellen van de van toepassing zijnde regelgeving. De Afdeling overweegt dat [partijen] op de hoogte hadden kunnen zijn van de vergunning- en meldplicht. Dat [partijen] in hun schriftelijke uiteenzetting hebben aangevoerd dat vakantieverhuur sinds 2017 een zeer incidenteel karakter heeft gekregen en zij de laatste wijzigingen per 1 juli 2020 niet tijdig hebben meegekregen, komt voor hun rekening en risico. Dat ten tijde van de boeking, naar gesteld in april 2020, nog geen vergunningplicht bestond, ontslaat [partijen] evenmin van de verantwoordelijkheid om zich op de hoogte te stellen van de geldende regelgeving.

9.2.    Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling in de omstandigheid dat de Hvv enkele maanden voor de overtreding is gewijzigd dan ook geen grond voor het oordeel dat het college de boete op nihil had moeten stellen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4419

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *