1

ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3010 – Partij die stelde eigenaar en beheerder te zijn, terecht als overtreder aangemerkt. Holding vennnootschap is feitelijk leidinggever. Last verwijst naar bijlage met tekening. Dat mag.

“Geen overtreder

7.       Nauticadam B.V. en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Nauticadam B.V., Nautic Holding B.V. en [partij] niet als overtreders kunnen worden aangemerkt. Volgens Nauticadam B.V. en anderen dient de aansprakelijkheid van de vennootschappen te worden beoordeeld aan de hand van het Burgerlijk Wetboek.

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2728) is de overtreder, gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift schendt. Dit is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en dus als overtreder worden aangemerkt.

7.2.    De last onder dwangsom is opgelegd aan Nauticadam B.V., Nautic Jachthavens B.V., Nautic Holding B.V. en [partij].

Niet in geschil is dat Nautic Jachthavens B.V. de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank, heeft gebouwd. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat het college

Nautic Jachthavens B.V. terecht als overtreder heeft aangemerkt.

De Afdeling stelt verder vast dat uit de in het inspectieverslag van 19 mei 2020 opgenomen foto’s volgt dat ter hoogte van de Breitnersteiger aan de kademuur een bord hing met de tekst ‘Nauticadam Hilton Marina’ en  waarop ook het telefoonnummer van Nauticadam B.V. werd vermeld. Het college heeft verder toegelicht dat op de website van Nauticadam B.V. stond dat zij onder meer eigenaar en beheerder was van de Hilton Marina haven. Naar het oordeel van de Afdeling is mede gelet daarop voldoende vast komen te staan dat Nauticadam B.V. exploitant was van de haven en gebruik maakte van de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank. Nauticadam B.V. en anderen hebben daar ook niets tegenover gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college ook Nauticadam B.V. terecht als overtreder heeft aangemerkt.

De Afdeling stelt ten slotte vast dat Nautic Holding B.V. bestuurder en enig aandeelhouder is van zowel Nautic Jachthavens B.V. als Nauticadam B.V. en dat [partij] bestuurder en enig aandeelhouder is van Nautic Holding B.V. [gemachtigde] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [partij] en, naar ter zitting is bevestigd, de feitelijk leidinggevende binnen de vennootschappen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [partij] en Nautic Holding B.V., naast [gemachtigde], zeggenschap over Nauticadam B.V. en Nautic Jachthavens B.V. en daarmee feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen. Nautic Holding B.V. kon als enig bestuurder van zowel Nautic Jachthavens B.V. als Nauticadam B.V. immers zeggenschap uitoefenen over de door hen verrichte activiteiten. [partij] kon dit ook, omdat zij enig bestuurder van Nautic Holding B.V. is. [partij] en Nautic Holding B.V. konden dan ook redelijkerwijs op de hoogte zijn van de geconstateerde overtredingen en zij hebben – hoewel zij dit hadden kunnen doen – daaraan geen einde gemaakt (zie ter vergelijking de uitspraken van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2005 en 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:515). Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [partij] en Nautic Holding B.V. door het college terecht zijn aangemerkt als overtreders.

Het betoog slaagt niet.

[…]

Onduidelijke last

9.       Nauticadam B.V. en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de last onvoldoende duidelijk is. Allereerst wijzen zij erop dat het handhavingsverzoek van AHH niet ziet op de Breitnersteiger. Daarnaast volgt volgens hen uit de last niet duidelijk dat deze betrekking heeft op de Breitnersteiger, omdat hierin enkel de steiger achter het Hilton Hotel aan de Apollolaan 138 wordt genoemd terwijl de Breitnersteiger zich ook bevindt aan de Breitnerstraat 2-4. Dit wordt bevestigd in het rapport van bevindingen van 14 september 2020 waarin als het overtredingsadres Apollolaan 138/Breitnerstraat 2-4 staat genoemd.

9.1.    Uit de brief van 30 april 2020 volgt dat AHH het college heeft verzocht om handhaving van de resterende steiger langs het muurtje richting de Breitnerstraat. In de brief staat verder dat Nauticadam B.V. de steiger recent op amateuristische wijze heeft verlengd tot aan het in het water gelegen stenen plateau naast de brug over de Breitnerstraat. Bij de brief zijn enkele foto’s gevoegd die betrekking hebben op de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dan ook duidelijk is dat het handhavingsverzoek, in tegenstelling tot wat Nauticadam B.V. en anderen stellen, ziet op de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek als zodanig niet doorslaggevend is. Op het college rust immers een beginselplicht tot handhaving wanneer bij hem een overtreding bekend is.

In het besluit van 23 juni 2020 staat onder het kopje “last” dat vóór 5 augustus 2020 de steiger die is geplaatst achter het Hilton Hotel aan de Apollolaan 138 geheel dient te worden verwijderd en verwijderd te worden gehouden. Daarbij wordt verwezen naar een afbeelding die als bijlage 1 bij het besluit is gevoegd, waarop de steiger in bruin staat ingetekend. De Afdeling stelt vast dat op deze afbeelding onder meer de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank, in bruin is ingetekend. In wat Nauticadam B.V. en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling met de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat niet duidelijk is dat de opgelegde last ook betrekking heeft op de Breitnersteiger, inclusief de verlenging daarvan en de loopplank.

Het betoog slaagt niet.”

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2022:3010