ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1072 – HB IGJ boete slaagt – covid-19 is geen algemene bijzondere omstandigheid. Aanprijzen van HCQ en Ivermectine gewoon beboetbaar.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 25 februari 2026

Datum publicatie: 25 februari 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:1072

Fragment:

Hoger beroep van de minister

8.       De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen boetes heeft mogen opleggen. Het is niet zo dat de COVID-19 pandemie per definitie een bijzondere omstandigheid is in het kader van boeteoplegging, waardoor de minister nooit een boete zou mogen opleggen voor overtredingen die met die pandemie te maken hebben. Juist bij een crisis is het uitgangspunt dat partijen zich moeten houden aan gezondheidswetgeving en dat de minister passende maatregelen kan nemen. De hoogte van de boete wordt bepaald aan de hand van de aard en de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid van de overtreder, de persoon van de overtreder en diens persoonlijke omstandigheden. Slechts indien de COVID-19 pandemie, in het licht hiervan, een bijzondere omstandigheid is, bestaat reden om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete. De boete is opgelegd met toepassing van de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 en de bijlage over de Geneesmiddelenwet. [appellante sub 2] is ingedeeld in de laagste categorie bij de boetedifferentiatie, waardoor de boetes al met 97,5% zijn gematigd ten opzichte van het normbedrag, aldus de minister.

8.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2277, moet een bestuursorgaan bij het toepassen van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet hij rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het bestuursorgaan kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als het beleid door de rechter niet onredelijk is bevonden, moet het bestuursorgaan bij de toepassing daarvan in elk individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

8.2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van bijzondere omstandigheden. Zij heeft erop gewezen dat [appellante sub 2] de uitingen tijdens de COVID-19 pandemie op de website heeft geplaatst, terwijl op dat moment (nog) geen effectieve medicatie beschikbaar was, er veel sterfgevallen waren en de ziekenhuizen overvol waren. Zij heeft ook gewezen op de motieven van [appellante sub 2], het willen laten horen van een tegengeluid over de effectiviteit van off-label gebruik van de geneesmiddelen HCQ en Ivermectine tegen de heersende medische opvattingen in en het aanzwengelen van een maatschappelijke discussie daarover. De rechtbank vond ook van belang dat de minister niet betwist dat [appellante sub 2] goede bedoelingen heeft gehad en zelf geen belang had bij het voorschrijven en gebruik van deze geneesmiddelen. Dit handelen bezien tegen de achtergrond van een wereldwijde pandemie leidde de rechtbank tot het oordeel dat een boete niet op zijn plaats was. De Afdeling volgt de rechtbank hierin niet. Uitgangspunt in de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 en de bijlage daarbij over de Geneesmiddelenwet is dat overtredingen van artikel 84, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet en artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet voldoende ernstig zijn om (direct) te worden beboet en niet eerst een waarschuwing hoeft te volgen. De Afdeling ziet in de omstandigheden van dit geval niet dat de minister van dit uitgangspunt had moeten afwijken. De intenties van [appellante sub 2] zijn daarvoor niet van doorslaggevend belang. Die kon zij namelijk ook op andere wijze pogen te bereiken dan door het overtreden van de Geneesmiddelenwet. Ook goede bedoelingen kunnen onwenselijke gevolgen hebben. Het is juist ten tijde van een volksgezondheidscrisis van belang dat de gezondheidswetgeving wordt nageleefd en kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat het verkeerd of overmatig gebruik van receptgeneesmiddelen ernstige gevolgen kan hebben voor een patiënt. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de uitingen van [appellante sub 2] een groot bereik hadden. De gevolgen van het handelen van [appellante sub 2] voor de volksgezondheid waren in potentie aanzienlijk, gelet op het grote aantal mensen dat in Nederland aan COVID-19 werd blootgesteld. Er was daarom een dringend maatschappelijk belang om direct handhavend op te treden. Dat de overtredingen [appellante sub 2] niet kunnen worden verweten is verder niet gebleken.

De minister heeft de boetes voor deze overtredingen die een normbedrag hebben van € 150.000,- op basis van de omvang van haar organisatie met het maximale percentage, te weten met 97,5%, gematigd.  De minister heeft de hoogte van de boete daarmee afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan [appellante sub 2] kan worden verweten. De minister heeft nog toegelicht dat op 26 januari 2021 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de Inspectie en onder andere de voorzitter van [appellante sub 2]. In dit gesprek heeft de Inspectie [appellante sub 2] medegedeeld dat in verband met de uitingen op de website een mogelijke overtreding van de Geneesmiddelenwet is geconstateerd. Dit gesprek heeft er echter niet toe geleid dat [appellante sub 2] de uitingen van de website meteen heeft verwijderd.

Het betoog slaagt.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:1072

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *