1

ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1236 – omwonende die op 100m woont van keerwand en beperkt zicht daarop heeft, is geen belanghebbende bij handhaving.

Het hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem is het onjuist dat hij de muur pas kan zien wanneer hij zijn perceel verlaat. Op het terras aan de voorzijde van zijn perceel is zicht op de muur, aldus [appellant]. Ook betoogt hij dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel gevolgen van enige betekenis ondervindt van de muur. Hij passeert en ziet de muur meerdere keren per dag, hetgeen zijn welzijn nadelig beïnvloedt. De hoogte en het materiaal geven de muur een industrieel aanzien, wat de groene omgeving verstoort. De gasten van de bed & breakfast klagen dagelijks over het aanzien van de muur. Ook wijkt de verkoopwaarde van de woning volgens een makelaar met € 75.000,– tot € 100.000,– af van de taxatie die [appellant] vorig jaar heeft laten uitvoeren door een beëdigd registermakelaar.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is [appellant] geen eigenaar of gebruiker van een perceel dat direct is gelegen naast en aangrenzend aan het perceel waarop de muur is gerealiseerd. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit, in beginsel belanghebbende is. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

3.3.    De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat [appellant] vanaf het terras aan de straatzijde van zijn woning enig zicht heeft op de muur. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de muur. De Afdeling acht de gestelde verstoring van de groene omgeving van de woning van [appellant] en daarmee de planologische uitstraling van de muur op het perceel van [appellant] te beperkt om het bestaan van gevolgen van enige betekenis aan te nemen. De Afdeling neemt hierbij de afstand van bijna 100 m tussen de muur en de woning van [appellant], de schuine ligging van de woning ten opzichte van de muur, de tussengelegen bomen en bebouwing en de loodsen van [bedrijf] tegenover de woning van [appellant] in aanmerking. Dat [appellant] de muur regelmatig passeert, maakt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet dat hij zich voldoende onderscheidt van andere weggebruikers en omwonenden in de buurt. Ook maakt de door [appellant] gestelde waardedaling van zijn woning hem naar het oordeel van de Afdeling niet belanghebbend. [appellant] heeft deze waardedaling niet onderbouwd. De door hem gestelde waardedaling berust op een vergelijking van twee – overigens niet overgelegde – waarderingen die dateren van na de realisering van de muur.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De gevolgen van de muur zijn voor [appellant] van een dermate geringe betekenis, dat hij daardoor niet rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. De rechtbank heeft zelf voorziend het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt niet.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@130941/202004568-1-r2/