ABRvS 26 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4990 – Handhaving tegen fietsberging die 9 cm hoger is dan eerder vergunde berging. Afdeling acht handhaving evenredig vanwege ‘akelig precedent’ argument van college.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 26 augustus 2026
Datum publicatie: 26 augustus 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:4990
Evenredigheidsbeginsel
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden tegen de fietsenberging in dit geval onevenredig is. Volgens [appellant] is er sprake van een overtreding van geringe aard en ernst. De nieuwe berging is met 1,29 m slechts 9 centimeter hoger dan de oude vergunde berging. Daarbij vindt zij ook dat de fietsenberging vanwege de groene uitstraling ruimtelijk aanvaardbaar is. Zij kan zich niet vinden in het voorstel van het college om de fietsenberging deels in te graven vanwege een boom die in de weg staat. Daarnaast is het vanwege haar leeftijd lastig om haar fiets uit een ingegraven berging te halen.
Verder betoogt [appellant] dat zij na de rechtbankuitspraak heeft geprobeerd om in contact te komen met de gemeente om tot een oplossing te komen, maar dat dit ondanks meerdere doorverwijzingen naar verschillende afdelingen van het college niet is gelukt.
7.1. Artikel 12.1, aanhef en onder c, van de regels van het bestemmingsplan “Bohemen” bevat de bestemmingsomschrijving voor de bestemming “Wonen – 2” en luidt:
“De voor ‘Wonen – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
c. bergingen;”
7.2. Over het betoog dat er sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat voor de aanwezige fietsenberging geen vergunning is verleend. Het zonder de benodigde omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk is geen overtreding van geringe aard en ernst. Dat de nieuwe berging van 1,29 m hoger is dan de vorige, vergunde berging maakt dit niet anders. De nieuw gerealiseerde fietsenberging moet namelijk als een nieuwe situatie beoordeeld worden.
Omdat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is overtreden en, zoals hiervoor overwogen onder 5, het algemeen belang is gediend met handhaving, ziet de Afdeling in de gestelde omstandigheid dat de fietsenberging vanwege de groene uitstraling ruimtelijk aanvaardbaar is, geen reden dat het college had moeten afzien van handhaving. Voor zover [appellant] op zitting heeft betoogd dat het onevenredig is dat er geen fietsenberging is toegestaan, omdat zij haar fietsen niet veilig op een andere plek kan stallen, overweegt de Afdeling dat het [appellant] volgens de planregels van het destijds geldende bestemmingsplan “Bohemen” is toegestaan om een overdekte fietsenberging te plaatsen als wordt voldaan aan de in die planregels opgenomen vereisten voor de oprichting daarvan. De Afdeling wijst er voorts op dat het college op de zitting heeft toegelicht dat het hier niet gaat om een overtreding van geringe aard en ernst omdat het niet-handhaven van de overtreding een akelig precedent schept, waardoor het college niet langer met succes handhavend kan optreden tegen andere in voortuinen geplaatste fietsenbergingen met van de planregels afwijkende maatvoeringen.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:4990