ABRvS 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2422 – weigering te handhaven onterecht, welstandsexces is geen overtreding van geringe aard.

Onevenredigheid

7.Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet in redelijkheid van handhaving mocht afzien. Volgens het college heeft de handhavingsbevoegdheid een discretionair karakter. Het college is van mening dat handhaving als ultimum remedium moet worden gezien en dat een overtreder in zijn algemeenheid eerst een redelijke kans moet krijgen om op eigen initiatief de overtreding te beëindigen. Pas wanneer een overtreder nalaat om op eigen initiatief een overtreding te beëindigen, komt bestuurlijke handhaving in beeld. Nu [partij] zich bereid heeft getoond om het bouwwerk zo aan te passen dat er geen sprake meer is van een welstandsexces, is het opleggen van een herstelsanctie volgens het college onevenredig in relatie tot het met handhaving te dienen belang. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1570). Verder heeft de rechtbank volgens het college ten onrechte geoordeeld dat het meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van [wederpartij], nu [wederpartij] niet heeft onderbouwd dat hij groot financieel en emotioneel nadeel ondervindt van het bouwwerk. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2195) had [wederpartij] de gestelde waardedaling van de woning op het perceel [locatie 2] als gevolg van het bouwwerk aannemelijk moeten maken met concrete gegevens, aldus het college.

7.1. Hoewel het college, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, terecht aanvoert dat onevenredigheid een uitzondering kan zijn op de beginselplicht tot handhaving, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in dit geval terecht heeft overwogen dat deze uitzondering zich in deze zaak niet voordoet. Nu hier sprake is van een welstandsexces, gaat het niet om een overtreding van geringe aard en ernst, die uit ruimtelijk oogpunt nauwelijks effecten heeft. De omstandigheid dat [partij] zich bereid heeft getoond om het bouwwerk zo aan te passen dat er geen sprake meer is van een welstandsexces, maakt niet dat, gelet op de aard en de ernst van de overtreding en de ruimtelijke effecten daarvan, handhaving in dit geval onevenredig is. Of [wederpartij] zijn gestelde financiële en emotionele schade nu wel of niet met concrete gegevens had moeten onderbouwen, is voor dit oordeel niet relevant.

Het betoog slaagt niet.

Zelf voorzien

8.Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door het besluit van 16 augustus 2019 te herroepen. Nu de bestuursrechter deze bevoegdheid slechts mag aanwenden wanneer rechtens één besluit mogelijk is, is de rechtbank in bevoegdheden getreden die exclusief aan het college toebehoren, aldus het college. Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2811).

Het college betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het niet de bevoegdheid heeft om [partij] te gelasten om het bouwwerk volledig te laten verwijderen of om [partij] te gelasten de aanbevelingen uit het advies van de welstandscommissie van Stichting Dorp, Stad & Land van 23 december 2019 uit te laten voeren. Nu dit advies zich begeeft op het terrein van de stedenbouwkundige randvoorwaarden die gelden voor vergunningvrij bouwen, kan het advies geen juridische basis vormen voor het opleggen van een herstelsanctie, aldus het college. Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:856).

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1527), dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van definitieve beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Bij het gebruik van deze bevoegdheid zal de rechter de overtuiging moeten hebben dat de uitkomst van het geschil, in het geval het bestuursorgaan opnieuw in de zaak zou voorzien, geen andere zou zijn en de toets aan het recht kan doorstaan. Bij die beoordeling worden de aard en de ernst van het gebrek betrokken. Niet is vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk is.

8.2. De Afdeling kan het standpunt van het college niet volgen, nu de rechtbank slechts geoordeeld heeft dat het op de weg van het college had gelegen om tot handhaving over te gaan, maar hierbij in het midden heeft gelaten op welke wijze dit dient te geschieden. De Afdeling merkt hierbij op dat deze zaak verschilt van de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2019, omdat in die zaak op basis van de ten tijde van het handhavingsbesluit beschikbare tekeningen en de op dat moment gerealiseerde constructie niet op voorhand kon worden vastgesteld dat het uiterlijk van de te bouwen aanbouw in ernstige mate in strijd zou komen met redelijke eisen van welstand.

Het betoog slaagt niet.

https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@127316/202006570-1-r2/