ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4221 – Inburgeringsboete – maximale boete evenredig? Ja, geen enkele examenpoging en nul uur cursussen gevolgd.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 3 september 2025
Datum publicatie: 3 september 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4221
Fragment:
Is de boete evenredig?
4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid en de boete daardoor niet in aanmerking komt voor matiging. Zij wijst op haar medische klachten en voert daarnaast aan dat de boete gematigd moet worden wegens het verrichtte vrijwilligerswerk. [appellante] verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5403, onder 8.4.
Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarnaast ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat zij onevenredig wordt getroffen door de boete.
4.1. De staatssecretaris is op grond van artikel 31 van de Wi bevoegd tot het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 7b, eerste lid, van die wet. De staatssecretaris moet bij het toepassen van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet de staatssecretaris rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Dit is geregeld in artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.
De staatssecretaris kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als de rechter het beleid niet onredelijk heeft bevonden, moet de staatssecretaris bij de toepassing daarvan in een individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst het besluit van de staatssecretaris zonder terughoudendheid.
In beginsel mag bij bewezenverklaring van de gedraging waarvoor de boete is opgelegd van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen. Daarbij kan een rol spelen dat uit feiten en handelingen blijkt dat de overtreding niet opzettelijk is begaan.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestaat reden tot matiging van de opgelegde boete als uit de door de beboete persoon overgelegde financiële gegevens blijkt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. De Afdeling wijst als voorbeeld op de uitspraak van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3143, onder 3.3.
4.3. De staatssecretaris heeft bij zijn beoordeling betrokken dat [appellante] geen enkele examenpoging heeft gedaan. Verder heeft zij nul uur aan inburgeringscursussen gevolgd bij een onderwijsinstelling met een ‘Blik op werk’-keurmerk. In overeenstemming met de Beleidsregel boetevaststelling inburgering heeft de staatssecretaris [appellante] de maximale boete van € 1.250,00 opgelegd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1606, onder 3.3, waaruit volgt dat de Afdeling dit beleid niet onredelijk acht.
4.4. Gelet op wat de Afdeling onder 3.4 heeft overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat in het geval van [appellante] geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De Afdeling volgt [appellante] verder niet in haar betoog dat de boete moet worden gematigd wegens het verrichtte vrijwilligerswerk. In de door [appellante] aangehaalde uitspraak van de rechtbank gaat het om een matiging op grond van de combinatie van – deels aan de universiteit gevolgde – cursussen met betrekking tot de Nederlandse taal en verricht vrijwilligerswerk. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de situatie van [appellante]. De Afdeling is van oordeel dat het door haar verrichte vrijwilligerswerk in dit geval geen aanleiding geeft tot matiging van de boete. [appellante] heeft verder geen andere omstandigheden gesteld waardoor het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht haar niet of minder valt te verwijten.
4.5. Ten slotte heeft de rechtbank volgens de Afdeling terecht overwogen dat [appellante] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij onevenredig wordt getroffen door de boete. In beroep heeft [appellante] immers geen financiële gegevens overgelegd. In hoger beroep heeft [appellante] specificaties van de WIA-uitkering van haar partner en afschriften van de betaalrekening van haar en haar partner en afschriften van de spaarrekening van haar partner overgelegd. In deze gegevens ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat [appellante] door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.
4.6. Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4221
Leave a Reply