1

ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2525 – gebruiker pand (die niet is aangeschreven) is geen rechtsstreeks belanghebbende bij aan eigenaar opgelegde last onder dwangsom. Dat mogelijk wanprestatie jegens een dienstafnemer zal worden gepleegd door de gebruiker, is slechts een van de eigenaar van het pand afgeleid belang.

Incidenteel hoger beroep

3.       Coöperatie Dichtbij en CHOG betogen dat de rechtbank het beroep, voor zover dat is ingesteld door Coöperatie Dichtbij, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Daartoe voeren Coöperatie Dichtbij en CHOG aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bezwaar van Coöperatie Dichtbij terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat Coöperatie Dichtbij volgens de rechtbank enkel een afgeleid belang heeft. Volgens Coöperatie Dichtbij en CHOG is in beginsel slechts de overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen hij de dwangsom kan verbeuren, maar sluit dat niet uit dat ook een ander dan de overtreder bij dat besluit belanghebbende kan zijn, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarbij wijzen Coöperatie Dichtbij en CHOG op de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:99.

Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Widdershoven van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474, over belanghebbendheid stellen Coöperatie Dichtbij en CHOG zich op het standpunt dat Coöperatie Dichtbij een zelfstandig belang toekomt bij het besluit tot oplegging van de last, zodat de coöperatie belanghebbende is. Volgens Coöperatie Dichtbij en CHOG wordt Coöperatie Dichtbij niet uitsluitend via de contractuele relatie met CHOG geraakt door de last onder dwangsom, maar ook in de hoedanigheid als partij bij de overeenkomst die met de gemeente Groningen is gesloten. Op grond van die overeenkomst is Coöperatie Dichtbij verantwoordelijk voor de zorg uit hoofde van de Wmo. Bij het naleven van die verplichtingen jegens de gemeente Groningen maakt Coöperatie Dichtbij gebruik van (de diensten van) CHOG, en bij instandhouding van de last onder dwangsom zal CHOG de zorg in de woning op het perceel niet langer kunnen bieden, waardoor Coöperatie Dichtbij op haar beurt haar verplichtingen jegens de gemeente Groningen niet kan naleven. Daardoor zal zij wanprestatie plegen jegens de gemeente Groningen.

Coöperatie Dichtbij en CHOG betogen verder dat geen sprake is van een afgeleid belang als de betrokkenheid van de rechtspositie van een derde bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt. Coöperatie Dichtbij en CHOG wijzen erop dat het van groot belang is dat de toepassing van wettelijke voorschriften op juiste wijze geschiedt, omdat dit relevant is voor toekomstige gevallen waarin zij zorg zal aanbieden aan zorgbehoeftigen. Indien de toepassing van de regels uit het bestemmingsplan niet wordt geborgd, zal dat gevolgen hebben voor alle toekomstige gevallen waarin zij in het betrokken gebied zorg zouden willen aanbieden aan zorgbehoeftigen.

3.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”

3.2.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:99, terecht overwogen dat in beginsel slechts de overtreder belanghebbende is bij de oplegging van een last onder dwangsom, omdat alleen hij de dwangsom kan verbeuren, maar dat dit niet uitsluit dat ook een ander dan de overtreder bij dat besluit belanghebbende kan zijn, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

3.3.    De Afdeling stelt op basis van de overlegde stukken vast dat Coöperatie Dichtbij een overeenkomst heeft gesloten met de gemeente Groningen om zorg te bieden in de vorm van beschermd wonen op grond van de Wmo. Vaststaat dat deze vorm van zorg plaatsvindt in het pand op het perceel. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de belangen van Coöperatie Dichtbij en CHOG parallel lopen. Beide hebben er immers belang bij dat de opgelegde last onder dwangsom niet in stand blijft. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat niet gebleken is van een reële mogelijkheid dat Coöperatie Dichtbij in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang wordt geschaad als gevolg van het besluit van 30 juli 2020. Anders dan Coöperatie Dichtbij en CHOG betogen, rechtvaardigt de rechtspositie van Coöperatie Dichtbij bij dit besluit ook geen zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende. Coöperatie Dichtbij heeft een overeenkomst gesloten met de gemeente Groningen. Coöperatie Dichtbij maakt ter uitvoering van die overeenkomst gebruik van de diensten van CHOG, die het pand op het perceel huurt en ter plaatse de zorg biedt. Dat Coöperatie Dichtbij mogelijk wanprestatie pleegt tegenover de gemeente Groningen omdat zij – een deel van – haar contractuele verplichtingen niet na kan komen als het besluit van 30 juli 2020 in stand blijft en CHOG haar zorgactiviteiten in het pand moet beëindigen, wat daar ook van zij, staat naar het oordeel van de Afdeling te ver af van dit besluit. Dit betekent dat Coöperatie Dichtbij een afgeleid belang heeft en geen zelfstandig belang.

Gelet hierop dient Coöperatie Dichtbij niet te worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 30 juli 2020, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college het bezwaarschrift van Coöperatie Dichtbij terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de rechtbank het beroep, voor zover het is ingediend door de Coöperatie Dichtbij, terecht ongegrond heeft verklaard.

Het betoog slaagt niet.


https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2022:2525