ABRvS 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644 – Geen procesbelang na verjaring, gestelde schade niet voldoende aannemelijk. Last kan ook opgeheven worden om andere dan in artikel 5:34 Awb genoemde situaties, maar daarbij kan het in beginsel niet gaan om omstandigheden die ook tegen de last hadden kunnen worden aangevoerd (behoudens evidente gevallen).
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Datum publicatie: 4 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:644
Fragment:
Procesbelang
6. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit. Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep.
7. Volgens het college heeft [appellant] niet uiterlijk op 25 november 2021 uitvoering gegeven aan het erfinrichtingsplan en ook niet uiterlijk op deze datum de tijdelijke unit en overkapping verwijderd. De dwangsommen zijn dus op 26 november 2021 verbeurd. [appellant] heeft volgens het college op 20 juni 2022 kampeermiddelen geplaatst op gronden buiten de aanduiding “kampeerterrein”. De dwangsom is op die dag verbeurd. Vanaf die momenten had het college rechtsvorderingen op [appellant]. Op grond van artikel 5:35, eerste lid, van de Awb is de verjaringstermijn één jaar. Niet in geschil is dat het college geen handelingen tot stuiting of verlenging van de verjaringstermijn heeft verricht. Ook is deze termijn niet verlengd op grond van artikel 5:35, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de rechtsvorderingen op 27 november 2022 en 21 juni 2023 zijn verjaard.
Dit betekent dat het college niet meer bevoegd is de verbeurde dwangsommen in te vorderen. Omdat [appellant] hierdoor in feite heeft bereikt wat hij met het instellen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over de invorderingsbesluiten zou kunnen bereiken, is zijn belang bij de beoordeling van het hoger beroep in zoverre komen te vervallen.
7.1. [appellant] heeft aangevoerd dat hij niettemin belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep, omdat hij schade heeft geleden. Hij wijst daarbij op de kosten die hij heeft gemaakt om de overtredingen op zijn perceel te legaliseren. Hij wijst er ook op dat hij proceskosten heeft gemaakt waarvan hij heeft verzocht deze te vergoeden.
7.2. De Afdeling overweegt ten eerste dat de omstandigheid dat om vergoeding van proceskosten is verzocht, geen reden vormt voor het aannemen van procesbelang. De Afdeling ziet in de door [appellant] gestelde schade ook geen reden om procesbelang aan te nemen. De kosten die [appellant] heeft gemaakt, heeft hij gemaakt om de eerder onherroepelijk vastgestelde overtredingen op het perceel te legaliseren. Deze gestelde schade is dus niet het gevolg van de invorderingsbesluiten. De Afdeling zal het hoger beroep, voor zover dat betrekking heeft op de aangevallen uitspraak inzake de invorderingsbesluiten, wegens het gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden in hoger beroep over de invorderingsbesluiten.
Beoordeling van het hoger beroep
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het besluit op bezwaar van 11 mei 2022 alleen heeft bezien of tot opheffing van de lasten onder nummers 3, 9 en 10 moet worden overgegaan. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het besluit geen betrekking op de andere lasten.
8.1. In het besluit van 8 december 2021 staat dat het college heeft besloten het besluit van 20 mei 2021, waarbij meerdere lasten onder dwangsom zijn opgelegd, niet in te trekken, noch geheel, noch gedeeltelijk. Dit besluit is in het besluit op bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 29 maart 2022, gehandhaafd. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de afwijzing van het verzoek betrekking had op alle elf opgelegde lasten. Dat het college, zoals [appellant] aanvoert, alleen gemotiveerd is ingegaan op de lasten onder 3, 9 en 10, doet daaraan niet af. Of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] heeft kunnen afwijzen, zal de Afdeling hierna aan de hand van wat [appellant] heeft aangevoerd, beoordelen.
Het betoog slaagt niet.
9. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte niet is overgegaan tot opheffing van de lasten. Hij voert aan dat, net zoals in procedures die gaan over de invordering van verbeurde dwangsommen, er sprake kan zijn van omstandigheden die aanleiding zouden moeten zijn om de lasten op te heffen. Volgens [appellant] is in deze zaak sprake van zulke omstandigheden.
9.1. Op verzoek van een overtreder kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, deze last opheffen. In artikel 5:34 zijn twee situaties genoemd die daartoe aanleiding kunnen geven. De Afdeling heeft eerder overwogen dat ook andere, niet in artikel 5:34 van de Awb bedoelde omstandigheden, tot opheffing van de last kunnen leiden (de uitspraken van 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5746, en 6 september 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY7586). Voor het antwoord op de vraag welke andere omstandigheden dat zijn, sluit de Afdeling aan bij de rechtspraak over invordering van verbeurde dwangsommen (de uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, onder 2.2). Dit betekent dat een belanghebbende in een procedure over de opheffing van de last vanwege andere omstandigheden dan genoemd in artikel 5:34 van de Awb, in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.
9.2. De rechtbank heeft de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, behoudens het betoog over de onmogelijkheid om aan de last inzake het erfinrichtingsplan te voldoen, niet inhoudelijk besproken en dus niet beoordeeld of er sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. De Afdeling zal dat hierna doen. Zij zal daarna ingaan op het betoog van [appellant] dat de last inzake het erfinrichtingsplan niet uitgevoerd kan worden als bedoeld in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:644
Leave a Reply