ABRvS 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2553 – BO heeft toch bevoegdheid, maar geen overtreding vastgesteld. Wel afspraak ter zitting dat “op korte termijn tweemaal in de ochtend, rond het tijdstip” van de overtreding opnieuw gecontroleerd zal worden.

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 4 juni 2025

Datum publicatie: 4 juni 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2553

Fragment:

Beoordeling in hoger beroep

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen bevoegdheden heeft met betrekking tot parkeren op de in- en uitrit. De bevoegdheid van het college berust namelijk op artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet en is ook terug te vinden in de artikel 2:51 van de APV. Bovendien kan op de website van de gemeente een melding worden gemaakt van een verkeerd geparkeerde auto of fiets. Daar komt bij, dat de feitelijke handhaving wordt verricht door boa’s in dienst van de gemeente.

Het betoog dat eveneens sprake is van strijd met artikel 2:50 van de APV heeft [appellant] op de zitting ingetrokken.

4.1.    Op grond van artikel 170, eerste lid, van de Wvw 1994 is het college bevoegd om handhavend op te treden als er een overtreding wordt geconstateerd van een bij of krachtens de Wvw 1994 vastgesteld voorschrift, zoals artikel 24 RVV, en indien het wegslepen van een voertuig noodzakelijk is in verband met a) het belang van de veiligheid op de weg, b) het belang van de vrijheid van het verkeer of c) het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. [appellant] voert terecht aan dat de overweging van de rechtbank dat het college geen bevoegdheden heeft om handhavend op te treden tegen het parkeren op de in- en uitrit, onjuist is. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep, omdat, zoals het college terecht heeft aangevoerd in de schriftelijke uiteenzetting, voor handhaving vereist is dat een overtreding wordt geconstateerd door een gemeentelijke toezichthouder. Dat is niet gebeurd.

Wel is op de zitting afgesproken dat het college ervoor zorgt dat op korte termijn tweemaal in de ochtend, rond het tijdstip van het brengen van de kinderen naar school, een controle wordt uitgevoerd om te onderzoeken of er overtredingen plaatsvinden. Wanneer dan overtredingen worden geconstateerd, ligt het in de rede dat het college, zo mogelijk in samenspraak met de school, een intensiever handhavingstraject opzet. Verder staat het [appellant] uiteraard vrij om ook uit zichzelf melding te maken van een overtreding.

4.2.    Anders dan [appellant] betoogt, is het parkeren van fietsen op het trottoir of tegen het hekwerk voor zijn woning geen overtreding van artikel 2.51 van de APV. Zoals het college terecht aanvoert, ziet artikel 2.51 van de APV namelijk op het parkeren van (brom)fietsen tegen het raam, raamkozijn, een deur of de gevel. Daarvan is niet gebleken.

Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2553