Verkopen en vernietigen van zaken bij bestuursdwang: de regels samengevat

Het verkopen en vernietigen van zaken kan het eindstation zijn bij de toepassing van bestuursdwang. Als de overheid bestuursdwang toepast, dan neemt zij vaak zaken mee. Die slaat zij dan op (zie mijn eerdere blog over de regels die gelden voor het meevoeren en opslaan). Daarna moet er een beslissing worden genomen over wat er met de zaken moet gebeuren. Als de overtreder de zaken niet terug wil, of niet de kosten voor de bestuursdwang wil betalen, dan mag de overheid die zaken verkopen. In artikel 5:30 Awb staat wat de overheid allemaal wel en niet kan doen in deze situatie. In dit blog leg ik de regels over het verkopen en vernietigen van zaken kort uit.

Wanneer mag de overheid zaken verkopen bij bestuursdwang?

In artikel 5:30, lid 1, Awb staat dat zaken die niet binnen dertien weken na het meevoeren bij bestuursdwang kunnen worden teruggegeven, verkocht mogen worden door de overheid. Dit recht noemen we ook wel het ‘recht van parate executie’. Deze regeling kent ook de mogelijkheid dat de zaak wordt weggegeven (‘om niet’) aan iemand, of vernietigd wordt. De dertien weken termijn begint op het moment van het meevoeren.

Verkoop is een laatste redmiddel. Als de eigenaar zijn zaken terug wil én de kosten van bestuursdwang betaald, dan krijgt hij zijn zaken gewoon terug. De overheid mag dan niet verkopen of vernietigen en moet de zaken gewoon teruggeven. Dat is alleen anders als er een ander soort beslag ligt op de zaak (bijvoorbeeld civiel beslag of strafvorderlijk beslag).

crates, plastic, auction

Hoe lang moet de overheid wachten met het verkopen van zaken bij bestuursdwang?

De overheid moet in beginsel dertien weken wachten voordat zij zaken die zijn meegevoerd en opgeslagen verkoopt. De gedachte daarachter is dat de eigenaar een redelijke kans moet hebben om zijn spullen terug te vragen. De termijn van dertien weken geldt echter niet altijd. Artikel 5:30, lid 2, Awb bepaalt namelijk dat verkoop eerder mag als de kosten voor bestuursdwang (vermeerderd met de kosten voor de verkoop) “in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog” zijn.

Wanneer zijn de kosten ‘onevenredig hoog’ en mag verkoop dus eerder?

Dat zal afhangen van de waarde van de zaak enerzijds en de kosten van de opslag anderzijds. Dat de potentiële opbrengst van een zaak beperkt is, is een relevante factor voor de beslissing om zo snel mogelijk over te gaan tot verkoop, maar ook om de bevoegdheid op grond van artikel 5:30, lid 2, Awb toe te passen (ECLI:NL:CBB:2013:BZ4402). Het enkele feit dat de zaken een beperkte waarde vertegenwoordigen, is echter onvoldoende om aan te nemen dat de kosten voor de opslag reeds daarom onevenredig zijn, aldus het CBb (ECLI:NL:CBB:2013:315).

De overheid moet hier proactief over nadenken. Immers, bij een beperkte waarde van de zaak wordt die waarde al snel overstegen door de kosten voor de opslag (ECLI:NL:CBB:2014:413). Een snelle verkoop is dan logisch en redelijk.

Altijd twee weken wachten, tenzij gevaarlijke of bederfelijke stoffen

Artikel 5:30, lid 3, Awb geeft echter een harde ondergrens voor de wachttijd. Dit artikel bepaalt dat verkoop niet eerder kan plaatsvinden dan twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal (zie over dit proces-verbaal mijn eerdere blog), tenzij het “gevaarlijke stoffen” of “aan bederf onderhevige stoffen” betreffen.

Afstand doen van de zaak

Een rechthebbende kan afstand doen van de zaak. Dat kan, aldus de voorzieningenrechter van het CBb:

“wanneer dit op de vrije wil van de rechthebbende berust en de afstand ondubbelzinnig is gedaan. Hiertoe zal de rechthebbende ten minste voldoende en duidelijk geïnformeerd moeten zijn over de keuzemogelijkheden, zal hij geestelijk competent moeten zijn om de consequenties van het besluit te doorgronden en mag hij niet worden gedwongen het besluit te nemen tot het doen van afstand.”  (ECLI:NL:CBB:2014:458)

Het afstand doen van de zaak betekent natuurlijk niet dat daarmee de overheid geen kosten meer in rekening kan brengen. De overtreder blijft aansprakelijk voor de kosten van bestuursdwang. Daaronder vallen de kosten van het meevoeren, opslaan en verkopen of vernietigen. Ook als die zijn gemaakt nadat de overtreder afstand heeft gedaan van de zaak.

Snellere verkoop bij gedane afstand?

Aan de minimale termijn van twee weken hoeft verder niet te worden vastgehouden als de rechthebbende zélf wil dat de zaak wordt verkocht. Bijvoorbeeld als hij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de zaak. Immers, de bepalingen in artikel 5:30 Awb strekken tot bescherming van de belangen van de rechthebbende. Als hij die bescherming uitdrukkelijk van de hand wijst om zo snel mogelijk de zaak te laten verkopen of vernietigen ten einde de kosten te beperken dan is dat toegestaan, aldus het CBb (ECLI:NL:CBB:2012:BY1681).

Er is wel enige onduidelijkheid hierover. In een andere uitspraak oordeelde het CBb namelijk dat ook als de rechthebbende afstand doet van de zaak, verkoop niet eerder mag dan twee weken na het meevoeren (ECLI:NL:CBB:2014:458). Bij deze zaak speelde wel dat de overtreder de Nederlandse taal niet machtig was. In zo een geval is al snel de vraag of de persoon wel wist wat zij ‘verklaarde’.

Wat als de overheid te snel verkoopt?

Als de overheid zich niet houdt aan de termijn van twee weken, dan is dat onrechtmatig. Het zal afhangen van de situatie wat voor compensatie geboden moet worden. Voor het onrechtmatig verwijderen van een schuur, was een vermindering van het kostenverhaal met € 5.000,- volgens de Afdeling voldoende compensatie, gelet op de waarde van de vernietigde zaken (ECLI:NL:RVS:2014:395).

Overheid moet een zo hoog mogelijk verkoopwaarde realiseren

Het bestuursorgaan moet zich inspannen om een zo hoog mogelijke verkoopwaarde te realiseren, zij het binnen de grenzen van het redelijke. Als zaken bijvoorbeeld door elkaar waren opgeslagen en niet “op eenvoudige wijze konden worden gesorteerd en afzonderlijk konden worden afgevoerd”, kan dat bijvoorbeeld een omstandigheid zijn die maakt dat het bestuursorgaan de zaken niet hoeft te gaan scheiden om ze afzonderlijk te verkopen, ook al had dit misschien een (iets) hogere opbrengst opgeleverd (ECLI:NL:RVS:2018:3183).

Verrekenen opbrengst van de verkoop

Op grond van artikel 5:30, lid 4, Awb heeft de eigenaar recht op de verkoopkosten. Die krijgt hij na de verkoop uitgekeerd. De verkoopkosten kunnen door het bestuursorgaan echter worden verrekend met de kosten van de bestuursdwang. Dat gebeurt dan bij de kostenverhaalsbeschikking. Als de verkoop meer oplevert dan de kosten van bestuursdwang (wat niet vaak het geval is omdat de overtreder zijn zaak meestal dan wel op komt halen), dan komt het batig saldo de rechthebbende toe. Die moet zich dan wel binnen drie jaar melden bij het bestuursorgaan. Na drie jaar vervalt het batig saldo aan het bestuursorgaan.

Handtas, Geld, Kredietcrisis, Portemonnee

Waardebepaling van de zaken

Het is aan het bestuursorgaan om de waarde van de zaak door middel van een taxatie (of anderszins) vast te stellen. Het doel van die waardebepaling is om te kunnen onderbouwen dat de zaak wel of niet kan worden verkocht en om een reële verkoopwaarde voor de zaak vast te kunnen stellen (ECLI:NL:CBB:2017:15). Heeft het bestuursorgaan aangetoond dat de zaak is verkocht voor een reële verkoopwaarde (of geen waarde heeft en om die reden moet worden vernietigd op grond van artikel 5:30, lid 5, Awb), dan is het aan de rechthebbende “om aannemelijk te maken dat [de zaak] voor een te laag bedrag [is] verkocht” (ECLI:NL:CBB:2021:752).

Vernietigen of gratis weggeven

Als verkoop “naar het oordeel van het bestuursorgaan” niet mogelijk is, dan kan het bestuursorgaan de zaak vernietigen. Het bestuursorgaan mag de zaak dan ook ‘om niet’ overdragen aan een derde. Dit staat in artikel 5:30, lid 5, Awb. Dat verkoop ‘naar het oordeel van het bestuursorgaan’ niet mogelijk is, betekent, aldus de Afdeling:

dat het aan het college is om te beoordelen [of] verkoop [van de zaak] niet mogelijk is en [of] het college [de zaak] om die reden kan laten vernietigen.”  (ECLI:NL:RVS:2021:1618)

Bij de beslissing om tot vernietiging over te gaan, is de economische waarde uiteraard relevant. Een woonschip in slechte staat, met een negatieve waarde, mocht de overheid bijvoorbeeld vernietigen. Als het bestuursorgaan besluit tot vernietiging dan moet zij dat besluit kunnen onderbouwen, bijvoorbeeld met een taxatierapport. Het zorgvuldigheidsbeginsel vergt dat een rechthebbende eerst kennis moet kunnen nemen van het taxatierapport alvorens tot vernietiging over wordt gegaan (ECLI:NL:RVS:2021:1618).

Verkopen en vernietigen van zaken bij bestuursdwang

Zoals je hebt kunnen lezen, mag de overheid niet zomaar beschikken over de zaken die zijn meegevoerd en opgeslagen bij de uitvoering van bestuursdwang. Er gelden strenge regels voor de verkoop en vernietiging van die zaken. Let dus goed op de regels – voor je het weet worden zaken tegen de regels in vernietigd of verkocht!

Over de auteur

Thomas Sanders is advocaat en partner bij AKD advocaten te Breda en Eindhoven. Hij is gepromoveerd aan de Universiteit Leiden op het gebied van het handhavingsrecht en het invorderingsrecht. Zijn praktijk richt zich op het bijstaan van overheden, bedrijven en burgers in handhavingsgeschillen. Vragen? Neem contact op via tsanders@akd.nl of LinkedIn.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *