CBb 12 mei 2026, ECLI:NL:CBB:2026:202 – Verwijtbaarheid mag verondersteld worden bij overtreding en opleggen boete, het is aan overtreder om feiten te stellen en te bewijzen dat er sprake is van geen, dan wel verminderde, verwijtbaarheid.

Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 12 mei 2026

Datum publicatie: 12 mei 2026

ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:202

8.4.1
Het College overweegt dat artikel 5:41 van de Awb aan een boete in de weg staat als de overtreder geen verwijt treft. De minister mag de verwijtbaarheid veronderstellen. Het is aan de maatschap om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaraan het rechtsgevolg kan worden verbonden dat verwijtbaarheid ontbreekt.

8.4.2
Het is in dit geval daarom aan de maatschap om aannemelijk te maken dat zij al dat wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de vastgestelde overtredingen te voorkomen. Daar is zij naar het oordeel van het College niet in geslaagd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen had het gelet op de uit de pachtovereenkomst voortvloeiende beperkingen op de weg van de maatschap gelegen onderzoek te doen naar het gebruik van de percelen 48 en 64. Dat de maatschap er ondanks de pachtovereenkomst van uit is gegaan dat voor die percelen sprake is van landbouwgrond, komt voor haar rekening en risico. Evenals de rechtbank komt het College tot het oordeel dat hier van het ontbreken van verwijtbaarheid geen sprake is.

8.5.1
De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de hoogte van de opgelegde boete in overeenstemming is met artikel 57 van de Msw. Het tarief in die wettelijke bepaling is bepaald vanuit het uitgangspunt dat de bestuurlijke boete, wil zij afschrikkend zijn, hoger moet zijn dan het eventueel als gevolg van de overtreding genoten economisch voordeel en daarbij een straffend element moet hebben (Kamerstukken II, 2004/05, 29 930, nr. 3, blz. 125 e.v.).Van dat boetebedrag wordt op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb slechts afgeweken indien de maatschap aannemelijk maakt dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is het College niet gebleken.

8.5.2
De maatschap meent ten slotte dat de minister de boete overeenkomstig het in het ‘Boetebeleid Meststoffenwet RVO’ opgenomen matigingsbeleid met 75% had moeten matigen. De minister heeft, omdat slechts één van de gebruiksnormen is overschreden, beoordeeld of de boete op grond van het boetebeleid in verband met een mogelijk geringe overschrijding per ha van de verhoogde gebruiksnorm dierlijke mest moet worden gematigd. De minister heeft vervolgens vastgesteld dat aan de daarvoor gestelde voorwaarde dat de overschrijding van de verhoogde gebruiksnorm dierlijke mest niet meer dan 10 kg per ha mag bedragen niet wordt voldaan. In het geval van de maatschap bedraagt die overschrijding namelijk 10,1 kg per ha. Het College volgt daarom het oordeel van de rechtbank dat de minister ook ‘overigens’ geen aanleiding heeft hoeven te zien om de boete verder te matigen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:202