CBb 13 mei 2025, ECLI:NL:CBB:2025:300 – ‘De auditu’ verklaringen (‘van horen zeggen’) in toezichthoudersrapport – komen niet dezelfde bewijskracht toe als verklaringen van de persoon zelf.

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 13 mei 2025

Datum publicatie: 13 mei 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:300

Fragment:

Overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd?

5.3.1
Het College is van oordeel dat de aan het besluit tot spoedbestuursdwang ten grondslag gelegde overtreding van de hieronder genoemde artikelen niet is komen vast te staan.

5.3.2
Artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren luidt als volgt:

“Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.”

Artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd luidt als volgt:

“Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd.”

5.3.3
In het toezichtrapport heeft de toezichthouder van de LID weergegeven wat zij op 13 juni 2023 van een politiemedewerker heeft vernomen. De toezichthouder hoorde de politiemedewerker zeggen dat de kat er zeer slecht aan toe was, dat twee dierenartsen hadden verklaard dat de kat ondraaglijk leed en dat er geen zicht was op verbetering. De politiemedewerker gaf te kennen dat hij de dierenarts had horen zeggen dat de kat neurologisch niet in orde was en in soporeuze toestand verkeerde. Nu de kat geen kwaliteit van leven meer had en de neurologische toestand niet meer kon verbeteren, was het behandelplan euthanasie. Volgens de politiemedewerker zou [naam 1] geen euthanasie willen en zou zij de kat willen meenemen. Vervolgens heeft euthanasie plaatsgevonden. De minister heeft op basis hiervan in het besluit tot spoedbestuursdwang vermeld dat [naam 1] aan de kat niet de nodige medische zorg heeft gegeven. [naam 1] zou volgens de minister het behandelplan van de dierenarts niet hebben opgevolgd en de situatie was zo ernstig dat [naam 1] niet de tijd kon worden gegeven om de situatie te herstellen.

5.3.4
Het standpunt van de minister is gebaseerd op de in het toezichtrapport opgenomen bevindingen. De verklaringen in dit rapport van onder meer de medewerker van de politie en van de door deze medewerker aangehaalde dierenartsen zijn echter uitsluitend als verklaringen ‘van horen zeggen’ opgenomen in het toezichtrapport. De verklaringen van deze personen zelf zijn echter niet bij het rapport gevoegd. Bij het toezichtrapport zit weliswaar een kaartoverzicht van de dierenkliniek met daarin medische gegevens van [naam 2] , maar een opgestelde en ondertekende veterinaire verklaring over de precieze toestand van de kat en de gevolgen voor de toekomst en het welzijn van het dier ontbreekt. Naar aanleiding van de beroepsgronden van [naam 1] heeft de minister de toezichthouder die het toezichtrapport heeft opgemaakt nadere vragen gesteld en verzocht om de destijds betrokken dierenartsen te benaderen en te vragen of zij hun bevindingen zouden willen verwerken in een verklaring. De toezichthouder heeft de antwoorden van deze dierenartsen opgenomen in een document dat als bijlage bij het verweerschrift van de minister is gevoegd. Ook aan dit document kan niet de betekenis worden gehecht die de minister eraan toegekend wil zien. Zo blijkt er niet uit welke dierenarts welk antwoord heeft gegeven en zijn ook hier de (ondertekende en gedagtekende) verklaringen van de dierenartsen zelf niet overgelegd.

5.3.5
Gelet op het voorgaande is het College dan ook van oordeel dat hetgeen is opgenomen in het toezichtrapport en in het bij het verweerschrift gevoegde document ontoereikend is om aan te nemen dat sprake was van een overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren in samenhang met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Bhd door [naam 1] . De minister had zijn besluitvorming hierop niet mogen baseren.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:300