CBb 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:475 – CBb matigt invordering – aannemelijk dat overtreder aan last zou hebben voldaan als ACM haar had geinformeerd over resterende overtredingen.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 16 september 2025
Datum publicatie: 16 september 2025
ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:475
Fragment:
7.2
[naam 1] voert aan dat de ACM in het invorderingstraject onevenredig heeft gehandeld. Op het moment dat de ACM haar kenbaar maakte dat de eerste dwangsom was verbeurd, heeft [naam 1] de ACM direct gevraagd wat de overtredingen waren, zodat deze konden worden verholpen. Ondanks herhaaldelijke verzoeken van haar zijde heeft de ACM daarop niet willen reageren, terwijl – zo blijkt achteraf – er wekelijks screenshots werden gemaakt van de websites. De ACM heeft haar ten onrechte de kans ontnomen om eventuele overtredingen op de gecontroleerde websites weg te nemen, zodat die niet voortduren en de dwangsommen blijven verbeuren. Vanaf dag één heeft [naam 1] meegewerkt en met veel mankracht getracht de door de ACM geconstateerde overtredingen te verhelpen; zij meende dit ook goed te hebben gedaan. Het doorvoeren van de wijzigingen op alle websites vroeg veel werk, investeringen en tijd. Het was een bijzonder lastige klus om alle websites aan de eisen te laten voldoen; zowel wat omvang betreft als wat techniek betreft.
7.3
De ACM brengt daartegen in dat aan het opleggen van het dwangsombesluit een lang traject is voorafgegaan en dat [naam 1] vervolgens een ruime begunstigingstermijn van tien weken heeft gekregen om aan de last te voldoen. [naam 1] heeft ruim de tijd gekregen om de geconstateerde overtredingen ongedaan te maken, waarbij zij [naam 1] ook erop heeft gewezen waarom zij niet normconform handelde. Indien dit voor [naam 1] een lastige klus was, dan had zij ook ervoor kunnen kiezen om al haar websites offline te halen. De ACM wijst erop dat zij [naam 1] bij brief van 10 november 2021 onverplicht heeft gewaarschuwd dat zij dwangsommen verbeurde en daarbij ook voorbeelden van de overtredingen heeft genoemd. De ACM ziet niet in dat zij onevenredig zou hebben gehandeld tegenover [naam 1] .
7.4
In zijn algemeenheid geldt dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II, 2003/2004, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 10 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:633).
7.5
Het College is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de ACM hier in het invorderingstraject onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht en dat deze omstandigheid ertoe leidt dat gedeeltelijk van de invordering moet worden afgezien. Het College overweegt daartoe als volgt.
7.5.1
Voorop staat dat dwangsommen van rechtswege worden verbeurd door het niet voldoen aan de last onder dwangsom. Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 mei 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:229, onder 6.4.3) verdraagt zich de verplichting voor het bestuursorgaan om de belaste na een controle op de hoogte te stellen van een eerste constatering dat niet is voldaan aan een last onder dwangsom, niet met het wettelijk systeem dat uitgaat van de verbeurte van de dwangsom van rechtswege in het geval een last niet wordt nageleefd. Dit kan evenwel anders zijn indien aannemelijk is dat de belaste de overtreding voorafgaand aan een tweede controle alsnog ongedaan zou hebben gemaakt als hij was geïnformeerd over de bevindingen van de eerste controle.
7.5.2
Het College stelt op basis van het VvA het volgende vast. De ACM heeft op
5 november 2021 tien willekeurig gekozen URL’s bezocht. Op 11 november 2021 heeft de ACM dezelfde tien URL’s van 5 november 2021 bezocht en zeventien andere (nieuwe) URL’s. Tijdens de derde controle van 16 november 2021 heeft de ACM uitsluitend tien andere (nieuwe) URL’s bezocht. Deze tien URL’s heeft de ACM vervolgens wekelijks bezocht tot het eind van de controleperiode. Vanaf de derde controle op 16 november 2021 heeft de ACM tot het eind van de controleperiode dus steeds dezelfde tien URL’s bezocht om te controleren of [naam 1] de last heeft overtreden.
7.5.3
Het College acht aannemelijk dat [naam 1] de overtredingen die de ACM op 16 november 2021 had geconstateerd voorafgaand aan de vierde, navolgende, controle alsnog ongedaan zou hebben gemaakt als de ACM haar had geïnformeerd over de bevindingen van die controle. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting volgt dat [naam 1] steeds heeft getracht de maatregelen en verbeteringen die de ACM met betrekking tot de websites van [naam 1] eiste op te volgen en dat zij haar websites aanpaste, ook na het verlopen van de begunstigingstermijn in het controletraject. Verder komt duidelijk uit het dossier naar voren dat [naam 1] , zoals ook door de ACM op de zitting is bevestigd, van goede wil was om aan de last te voldoen. In dat verband is ook van belang dat [naam 2] aan de ACM op
12 november 2021 nog heeft bericht dat alle gemelde constateringen zijn verholpen nadat de ACM [naam 1] met haar brief van 10 november 2021 had geïnformeerd over het verbeuren van dwangsommen vanwege de daarin genoemde overtredingen. Vervolgens heeft [naam 2] , zo volgt uit de telefoonnotitie van de ACM van het gesprek op 15 november 2021, de ACM verzocht over de overtredingen die de ACM nog zag, geïnformeerd te worden, waartoe de ACM niet bereid was.
7.5.4
Nu de ACM vanaf 16 november 2021 wekelijks dezelfde tien URL’s heeft bezocht om te controleren of [naam 1] aan de last voldeed zonder haar te informeren over die bevindingen en de op deze websites geconstateerde overtredingen, terwijl aannemelijk is dat [naam 1] die overtredingen zou hebben verholpen als de ACM haar daarover wel had geïnformeerd, is het College van oordeel dat de ACM in het controletraject niet de nodige zorgvuldigheid heeft betracht die van haar als toezichthouder onder de gegeven omstandigheden mocht worden gevergd. [naam 1] beheerde een grote hoeveelheid websites – de door [naam 1] aanleverde lijst bevatte meer dan 1600 URL’s –, zodat de ACM zich bij haar (vervolg)controles niet hoefde te beperken tot dezelfde tien URL’s. Verder was de ACM ermee bekend dat [naam 1] bereid was aan de last te voldoen en had [naam 1] de ACM nog expliciet gevraagd te worden geïnformeerd over overtredingen die de ACM tijdens de controles tegenkwam opdat zij deze kon verhelpen. Door desondanks bij wijze van automatisme vanaf 16 november 2021 gedurende acht weken dezelfde tien URL’s te bezoeken en te controleren totdat de maximale dwangsom was verbeurd en zonder [naam 1] over haar bevindingen van die controles te informeren, heeft de ACM [naam 1] de mogelijkheid ontnomen om al geconstateerde overtredingen voorafgaand aan een vervolgcontrole alsnog ongedaan te maken en aldus onvoldoende oog gehad voor de belangen van [naam 1] . Dat, zoals de ACM stelt, zij in het traject dat heeft geleid tot het dwangsombesluit [naam 1] al handvatten had gegeven om haar handelwijze te corrigeren, biedt in de gegeven omstandigheden onvoldoende reden om na afloop van de begunstigingstermijn, in de periode van verbeurte, geen informatie meer te geven over geconstateerde overtredingen.
7.6
Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan gedeeltelijk van de invordering moet worden afgezien. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De ACM is gerechtigd om de dwangsommen voor de verbeurte op 5 november, 11 november en 16 november 2021 in te vorderen. Het College zal daarom het totale bedrag van € 89.000,- op de hierna te vermelden wijze matigen tot een bedrag van 26.900,-.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:475