CBb 17 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:59 – Motivering evenredigheid intrekking vergunning staat niet in besluit, maar wordt in (hoger) beroep in het verweer gemaakt. Wordt met toepassing van 6:22 Awb gepasseerd.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Datum publicatie: 17 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:59
Fragment:
7.1
Omdat het bij het besluit tot intrekking van de derogatievergunning gaat om een discretionaire bevoegdheid, moet de toepassing daarvan voldoen aan artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarin staat dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel 3:4, eerste lid, van de Awb bepaalt daarom dat er een belangenafweging moet plaatsvinden.
7.2
Uit het besluit van 30 maart 2021 en de beslissing op bezwaar blijkt niet van een belangenafweging. In het verweerschrift heeft de minister de belangenafweging alsnog gemaakt. Volgens de minister zijn de met het besluit te dienen belangen de bescherming van het milieu en het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Nitraatrichtlijn. Dat algemeen belang weegt volgens de minister zwaarder dan het individuele belang van de vennootschap om te beschikken over een derogatievergunning zodat zij meer mest op haar landbouwgrond kan aanwenden.
7.3
Naar het oordeel van het College is intrekking van derogatie met als automatisch rechtsgevolg uitsluiting voor het eerstvolgende jaar een geschikt middel om het beoogde doel, behoud van de derogatie voor de Nederlandse melkveehouders, te bereiken.
7.4
Volgens de vennootschap is de intrekking en uitsluiting van derogatie in dit geval niet noodzakelijk en niet evenwichtig vanwege de financiƫle gevolgen ervan, en omdat het gaat om een geringe overschrijding.
7.5
Het College volgt de vennootschap hierin niet. Weliswaar ondervindt de vennootschap (financieel) nadeel omdat zij door de intrekking en uitsluiting van derogatie in 2018 en 2022 minder mest mag uitrijden op haar eigen grond, maar dat maakt het besluit op zichzelf niet onevenredig. De vennootschap heeft niet met stukken onderbouwd dat zij door de intrekking en uitsluiting financieel in de problemen is gekomen, zodat het College niet kan beoordelen of de intrekking en uitsluiting financiƫle gevolgen heeft die onevenredig zijn met de met het besluit te dienen doelen. Daarnaast is geen sprake van een zo geringe overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen dat die leidt tot het oordeel dat het besluit niet noodzakelijk en evenwichtig is.
7.6
Het College stelt vast dat de minister de bij de toepassing van artikel 25b, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling vereiste belangenafweging pas in het verweerschrift heeft gemaakt. De beslissing op bezwaar is daarmee in strijd met artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 6:22 van de Awb volgt dat een besluit, ook als sprake is van een gebrek, in stand kan worden gelaten als aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Daarvan is in dit geval sprake, omdat de minister in zijn verweerschrift alsnog een navolgbare belangenafweging heeft gemaakt en het gebrek daarmee is hersteld. Het College ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van dit artikel.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:59