CBb 17 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:117 – Verzoek om herziening bestuurlijke boete. Minister heeft “integrale heroverweging” verricht nalv verzoek, dus rechter toetst ook integraal. Geen reden tot herziening,

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 17 maart 2026

Datum publicatie: 17 maart 2026

ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:117

Fragment:

Toetsingskader

5.1
Bij de beoordeling van een verzoek om herziening is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om het verzoek inhoudelijk te behandelen. Daarbij zal het bestuursorgaan het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen en kan het bestuursorgaan het verzoek inwilligen of afwijzen. Een bestuursorgaan mag dit ook als de aanvrager aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als het bestuursorgaan het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over dat verzoek (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3131), onder 3.4, en de uitspraak van het College van 24 mei 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:190), onder 2.2 en 2.3).

5.2
In deze zaak betreft het verzoeken om terug te komen van boetebesluiten, waarbij de minister de herzieningsverzoeken (deels) op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Uit de besluitvorming en het verhandelde ter zitting blijkt dat de minister is overgegaan tot een integrale heroverweging. De rechtbank heeft daarom terecht het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over de verzoeken. Het College zal daarom hieronder per boetezaak de verschillende hogerberoepsgronden van [naam 1] bespreken.

5.3
Het College stelt verder voorop dat uit vaste jurisprudentie van het College, onder meer de uitspraak van 30 september 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:535), volgt dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgesteld, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:117