CBb 18 augustus 2026, ECLI:NL:CBB:2026:380 – Is overtreder voldoende in staat gesteld om contra-expertise uit te laten voeren? (Ja). Geen strijd met equality of arms.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 18 augustus 2026
Datum publicatie: 18 augustus 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:380
Zorgvuldigheid en equality of arms
5.1
De stichting stelt dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de door haar ingeschakelde dierenarts niet in de gelegenheid is gesteld om de dieren na inbewaringneming in de opvang aan een fysiek onderzoek te onderwerpen. De stichting heeft de overtredingen betwist en na bewaring herhaaldelijk verzocht die dieren te mogen laten onderzoeken. Zo is het voorstel gedaan om een dierenarts dat onderzoek te laten uitvoeren zonder dat de stichting daarbij zou zijn en zonder dat de locatie van de dieren aan haar bekend zou worden gemaakt. De opslaghouder zou daar echter geen toestemming voor hebben verleend vanwege doodsbedreigingen (niet door de stichting) in andere kwesties. Hierdoor kon de contra-expertise niet plaatsvinden zonder dat een passend alternatief voorhanden was. Er was volgens de stichting geen gegronde reden om een dergelijke contra-expertise, die volgens de stichting wenselijk is in verband met het beginsel van equality of arms, te weigeren. Dat de contra-expertise pas enige tijd na de inbeslagname zou hebben plaatsgevonden, maakt volgens de stichting niet uit. Daaraan had een deskundige dierenarts in zijn rapportage aandacht kunnen besteden.
5.2
Het College is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het beginsel van equality of arms.
5.2.1
Allereerst volgt het College de stichting niet in haar standpunt dat zij niet in staat is gesteld een contra-expertise uit te laten voeren. Zoals de minister naar voren heeft gebracht, waren de bevindingen die tot het opleggen van de last hebben geleid al op 5 januari 2024 gedaan en is de last op dezelfde datum opgelegd. Op dat moment stonden de schapen nog op de percelen van de stichting en door de last en het telefoontje van de toezichthouders wist de stichting toen welke overtredingen haar verweten werden en wat van haar verwacht werd. De stichting had haar schapen dan ook op vrijdag 5 januari 2024 of anders voordat de dieren op 8, 17 en 19 januari 2024 werden meegevoerd en opgeslagen, zelf kunnen laten onderzoeken door haar eigen dierenarts. De minister heeft onbestreden gesteld dat de stichting voor het eerst op de zitting bij de voorzieningenrechter op 15 februari 2024 te kennen heeft gegeven dat zij een contra-expertise wilde laten uitvoeren. Verder geldt dat titel 5.2 van de Awb geen verplichting bevat een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise bij de opslaghouder. Toch heeft de minister de stichting daartoe in de gelegenheid gesteld. Omdat de opslaghouder waar de dieren van de stichting zich inmiddels bevonden vanwege doodsbedreigingen door een andere houder van wie de dieren bij hem waren ondergebracht niet wenste mee te werken aan een contra-expertise op zijn terrein, heeft de minister bepaald dat deze contra-expertise op een externe locatie kon plaatsvinden. De dieren moesten daarvoor op kosten van de stichting naar die locatie worden verplaatst. Van deze door de minister geboden mogelijkheid heeft de stichting geen gebruik gemaakt.
5.2.2
Daarnaast acht het College de mogelijkheid die de minister heeft geboden om de contra-expertise op een externe locatie te doen en om daarbij de kosten van een verplaatsing naar die locatie voor rekening van de stichting te laten komen in de gegeven omstandigheden niet onredelijk, omdat de dieren inmiddels waren meegevoerd en opgeslagen en de stichting de dieren zelf eerder had kunnen laten onderzoeken toen zij nog onder haar hoede waren. Het College is van oordeel dat de minister de stichting voldoende gelegenheid heeft geboden voor het uitvoeren van een contra-expertise. Dat de contra-expertise niet bij de opslaghouder kon plaatsvinden en dat extra kosten voor vervoer moesten worden gemaakt, maakt niet dat er geen reƫle mogelijkheid was voor het laten uitvoeren van een contra-expertise.
5.2.3
De beroepsgrond slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:380