CBb 22 april 2025, ECLI:NL:CBB:2025:265 – Heeft de ACM-voorzitter een toezegging gedaan dat de dwangsom niet zou worden ingevorderd door de bevestigen dat er geen ‘boete aan te pas moest komen’?

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 22 april 2025

Datum publicatie: 22 april 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:265

Fragment:

Kan de onderneming een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?

7.1
De onderneming beroept zich erop dat de bestuursvoorzitter van de ACM in een radio-interview op 23 april 2021 heeft gezegd dat de onderneming alle neplikes en nepvolgers van haar site heeft gehaald en dat daar geen boete aan te pas is gekomen. Naar aanleiding van deze verklaring stelt de onderneming dat zij ervan mocht uitgaan dat er geen dwangsommen zouden worden ingevorderd, zo begrijpt het College het standpunt van de onderneming. Van de ACM had mogen worden verwacht dat de uitspraak van de bestuursvoorzitter opvolging zou krijgen in de verdere afwikkeling van de zaak.

7.2
Volgens rechtspraak van het College (zie de uitspraak van het College van 17 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:852) moeten voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen worden doorlopen. De eerste stap is dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja hoe, het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

7.3
Tijdens het interview van 23 april 2021 is, voor zover hier van belang, het volgende gezegd:

“Interviewer: Wat gebeurt er dan nu dan met de bedrijven, in dit geval [naam 2] , dat

daar wel mee in zee ging?

[naam 4] : Ja, wat bedrijf gedaan heeft, die heeft terecht alle neplikes en nepreviews

van de site af gehaald, wij volgen dat op en zitten daar zeer bovenop. En op dit

moment is die site weer vrij van neplikes en nepreviews.

Interviewer: Zonder dat er een boete aan te pas moest komen?

[naam 4] : Klopt.”

7.4
Het College is van oordeel dat de bestuursvoorzitter van de ACM tijdens het interview geen toezegging heeft gedaan waaruit de onderneming mocht afleiden dat geen dwangsommen meer zouden worden ingevorderd. Het College overweegt daartoe als volgt.

7.5
Ten tijde van het interview was het invorderingstraject al gestart. Op 5 maart 2021 heeft de ACM met de onderneming haar voorlopige conclusie gedeeld dat de onderneming niet tijdig heeft voldaan aan de last. Daarbij is de onderneming verzocht om alsnog informatie toe te zenden waaruit zou kunnen blijken dat wel tijdig aan de last is voldaan. Daarna heeft de ACM op 19 maart 2021 aan de onderneming een concept invorderingsbesluit toegezonden en heeft de onderneming op 2 april 2021 haar zienswijze daarop kenbaar gemaakt. Nadat het interview heeft plaatsgevonden, heeft de ACM op 29 april 2021 aan de onderneming bericht dat de uitspraken die zijn gedaan tijdens het interview niet betekenen dat de onderneming tijdig heeft voldaan aan de last en dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Op 28 april 2021 had de ACM ook al het invorderingsbesluit genomen. Uit het voorgaande blijkt dat de ACM al voordat het interview plaatsvond, de onderneming heeft laten weten dat zij niet tijdig aan de last had voldaan. De onderneming heeft nadat zij bekend was geraakt met het interview ook geen navraag gedaan bij de ACM naar de betekenis van dit interview voor haar zaak.

7.6
Het College neemt hierbij ook in aanmerking dat de invordering van een verbeurde dwangsom niet hetzelfde is als een boete. In de periode waarin het interview plaatsvond werd de onderneming bijgestaan door haar gemachtigde, zodat zij dit had kunnen weten. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de onderneming toegelicht dat hij het interview op de dag van de uitzending heeft gehoord en dat hij daarna contact heeft opgenomen met de onderneming om haar hierop te wijzen. De gemachtigde heeft op dat moment dan wel kort daarna ook het verschil tussen een boete en het verbeuren van een dwangsom aan de onderneming uitgelegd.

7.7
Ten slotte is in het interview alleen gezegd dat de site op dat moment (23 april 2021) weer vrij is van neplikes en nepvolgers. Er is niet gezegd dat de onderneming ook tijdig, te weten voor 1 maart 2021, deze nepvolgers en neplikes zou hebben verwijderd en dat de onderneming geen dwangsommen meer zou hebben verbeurd.

7.8
Gelet op alle hierboven onder 7.5 tot en met 7.7 genoemde omstandigheden, was geen sprake van een uitlating waaruit de onderneming mocht afleiden dat zij geen dwangsommen meer zou verbeuren. Nu de eerste stap niet kan worden genomen, komt het College niet toe aan de beoordeling van de tweede en derde stap. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:265