CBB 26 april 2022, ECLI:NL:CBB:2022:187 – mondeling gegeven nieuwe begunstigingstermijn is rechtsgeldig, omdat het in rapport van bevindingen staat (en dus schriftelijk is). Gemaakte voorbereidingskosten vóór verstrijken BG-termijn niet verhaalbaar.

6.1.1. Voor het College staat vast dat de oorspronkelijke begunstigingstermijn om te voldoen aan de bij de last opgelegde maatregelen liep tot 11 januari 2018 om 14.00 uur. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat ten tijde van de hercontrole op 11 januari 2018 omstreeks 16.30 uur de runderen, plusminus twintig schapen en de drie geiten nog steeds niet op een juiste wijze werden gehouden en dat appellant de overtredingen in zoverre dus niet had beëindigd. Uit het rapport van bevindingen blijkt voorts dat verweerder appellant na afloop van de hercontrole op 11 januari 2018 (en dus ook na afloop van de oorspronkelijke begunstigingstermijn) mondeling een nieuwe begunstigingstermijn heeft gegeven – 12 januari 2018 om 10.00 uur – om alle maatregelen te nemen. Naar het oordeel van het College is de in het rapport van bevindingen vermelde mondelinge verlening van een nieuwe begunstigingstermijn als zodanig kenbaar uit een schriftelijk stuk (het rapport van bevindingen, hiervoor geciteerd onder 1.3) en wordt daarmee voldaan aan de in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis van een schriftelijke beslissing; het College verwijst naar de memorie van toelichting op artikel 1:3 van de Awb, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 36-37.

[…]

6.6. Het College overweegt dat artikel 5:25, vierde lid, van de Awb, op welke bepaling verweerder zich beroept, betrekking heeft op de situatie waarin de overtreder alsnog, na afloop van de begunstigingstermijn, voldoet aan de last. Die situatie doet zich hier niet voor, nu appellant voorafgaand aan het verstrijken van de begunstigingstermijn die liep tot 12 januari 2018 10.00 uur deels heeft voldaan aan de last, en deels daaraan niet heeft voldaan. Het College overweegt voorts dat uit het rapport van bevindingen volgt dat verweerder het transport “alvast” heeft georganiseerd op 11 januari 2018, omdat de toezichthouder had gezien dat appellant op 11 januari 2018 aan het einde van de middag nog niet alle maatregelen had genomen. Hieruit volgt dat de transportkosten niet alleen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van bestuursdwang door het meevoeren van vijftien kalveren en drie geiten, maar ook op de plusminus twintig schapen en (overige) runderen ten aanzien waarvan op 11 januari 2018 was geconstateerd dat niet was voldaan aan de last, maar op 12 januari 2018 dat wel was voldaan aan de last. Aangezien verweerder gelet op de door hem verleende nieuwe begunstigingstermijn, die liep tot 12 januari 2018 10.00 uur, niet bevoegd was om op 12 januari 2018 ten aanzien van die laatstgenoemde dieren (de plusminus twintig schapen en de (overige) runderen) bestuursdwang toe te passen, kan verweerder ook niet de kosten die daarop betrekking hebben (van de twee lege vrachtwagens) bij appellant in rekening brengen. Ook de kosten voor de inzet van de vrachtwagen met dranghekken zijn geen kosten voor de tenuitvoerlegging van bestuursdwang. Het College neemt daarbij in aanmerking dat verweerder tegenover de stelling van appellant dat de dranghekken overbodig waren, niet heeft gesteld dat de dranghekken daadwerkelijk zijn gebruikt dan wel dat de dranghekken in dit specifieke geval niet zijn gebruikt maar dat verweerder mocht verwachten dat de dranghekken nodig waren voor het meevoeren van vijftien kalveren en drie geiten. Verweerder had ten aanzien van de transportkosten derhalve slechts de kosten gemoeid met het wegvoeren en elders onderbrengen van de vijftien kalveren en drie geiten bij appellant in rekening mogen brengen.

6.7. Het College merkt in dit kader nog op dat het verweerder vrijstaat om voorafgaand aan het verstrijken van de begunstigingstermijn voorbereidingen te treffen. Voor zover hieraan kosten zijn verbonden, blijven deze kosten ingevolge artikel 5:25, derde lid, van de Awb echter voor rekening van verweerder voor zover deze kosten zijn gemaakt voordat de begunstigingstermijn is verstreken.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2022:187