CBb 26 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:434 – Weigering om terug te komen op Meststoffenwet boetes is niet ‘evident onredelijk’. Overtreder heeft destijds niet betoogd dat vaststelling hoeveelheid stikstof en fosfaat in mest onjuist was.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 26 augustus 2025
Datum publicatie: 26 augustus 2025
ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:434
Fragment:
Geen evidente onredelijkheid
7 Dat is anders als het besluit om niet terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is. De maatschap heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de uitspraken van 18 december 2018 volgt dat dit het geval is. Daarover overweegt het College als volgt.
7.1
Onder 5.4 van de uitspraak van 18 december 2018 met nummer ECLI:NL:CBB:2018:652 is het volgende overwogen (met cursivering van het College) in een zaak die betrekking had op overtreding van artikel 14 van de Msw:
“5.4 Hoewel het betoog van appellante dat de norm neergelegd in artikel 14 van de Msw strijdigheid oplevert met de onschuldpresumptie, naar hiervoor onder 5.3 is overwogen, op zichzelf bezien niet slaagt, geeft dit betoog, nu appellante daarmee mede de stelling verdedigt dat het hanteren van geheime marges ontoelaatbaar is, wel aanleiding tot het oordeel dat hier degene ten aanzien van wie het opleggen van een boete wordt voorgenomen, reeds in het kader van dat voornemen op de hoogte moet worden gesteld van de inhoud van die marges. De verdachte veehouder heeft naar het oordeel van het College dan nog voordat daadwerkelijk een boete wordt opgelegd een redelijke mogelijkheid om zich tegen het aan de niet-sluitende boekhouding (na correctie met marges) ontleende bewijsvermoeden te verweren door de feiten te betwisten die eraan ten grondslag zijn gelegd (de accuratesse van de forfaits, schattingen en monsterneming en analyse (bijvoorbeeld door het vragen van heranalyse of het doen uitvoeren van een contra-expertise)) en/of andere feiten te stellen – en bij betwisting aannemelijk te maken – die redelijke twijfel wekken aan de juistheid van het vermoeden dat een overtreding van artikel 14 van de Msw is begaan die een, eventueel, waarneembaar gevolg van onregelmatige afvoer of excessief uitrijden weerspiegelt. Het College verwijst hiertoe allereerst naar hetgeen hiervoor onder 5.1.1 tot en met 5.1.13 is overwogen. Daaruit vloeit voort dat niet is uitgesloten dat in geval van het niet sluiten van de mestboekhouding de betrokken veehouder – mogelijk geheel ten onrechte – de verdenking op zich laadt dat hij zich aan onregelmatigheden heeft schuldig gemaakt. Het College verwijst voorts naar de bedenkingen die de raadsheer advocaat-generaal heeft geuit met betrekking tot de onschuldpresumptie (zie zijn beantwoording van vraag 5 in de conclusie onder 10.5). Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert.”
7.2
Onder 5.4 van de uitspraak van 18 december 2018 met nummer ECLI:NL:CBB:2018:653 is het volgende overwogen (met cursivering van het College) in een zaak die (zoals de onderhavige zaken van de maatschap) betrekking had op overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Msw:
“5.4 Appellant heeft, ook nu het hier gaat om een bestuurlijke boete wegens een gestelde overtreding van de artikelen 7 en 8 van de Msw, in lijn met het in de onder 5.3 genoemde uitspraak [dit is de onder 7.1 genoemde uitspraak met nummer ECLI:NL:CBB:2018:652, College] onder 5.4 en 5.5 overwogene, aanspraak erop dat ook hij vanaf het moment dat hem wordt medegedeeld dat ten aanzien van hem het opleggen van een boete wordt voorgenomen, reeds in het kader van dat voornemen op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van de (tolerantie-, zekerheids- of handhavings)marges (hierna: marges). De verdachte veehouder heeft naar het oordeel van het College dan nog voordat daadwerkelijk een boete wordt opgelegd een redelijke mogelijkheid om zich tegen het vermoeden van onregelmatige afvoer te verweren door de feiten te betwisten die eraan ten grondslag zijn gelegd (de accuratesse van de forfaits, schattingen, en monsterneming en analyse (bijvoorbeeld door het vragen van heranalyse of het doen uitvoeren van een contra-expertise)) en/of andere feiten te stellen – en bij betwisting aannemelijk te maken – die redelijke twijfel wekken aan de juistheid van dat vermoeden. Het College is van oordeel dat het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Het in de vorige zin overwogene geldt dus ook indien de voornemen-, bezwaar of (hoger)beroepsprocedure reeds aanhangig is op de dag van deze uitspraak, en ook indien de veehouder bedoeld betoog voor het eerst na deze uitspraak voert.”
7.3
Uit de hiervoor geciteerde overwegingen volgt dat het hanteren van geheime marges ten tijde van het voornemen leidt tot een onherstelbaar gebrek aan het boetebesluit wegens schending van fundamentele rechten, indien en voor zover de veehouder in de boeteprocedure stelt dat het hanteren van geheime marges ontoelaatbaar is of als in die procedure een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt. Uit de geciteerde overwegingen blijkt, anders dan de maatschap heeft betoogd, niet dat de enkele omstandigheid dat ten tijde van het voornemen geheime marges zijn gehanteerd, leidt tot een onherstelbaar gebrek.
7.4
Zoals onder 5.3 is overwogen, volgt uit de daar aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 juli 2023 onder 4.4.3 dat een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek voldoende moet zijn om te concluderen tot onmiskenbare onjuistheid van het oorspronkelijke boetebesluit en daarmee tot evidente onredelijkheid van het vasthouden aan het oorspronkelijke boetebesluit. Het is aan de verzoeker om dit aannemelijk te maken. Hierin is de maatschap niet geslaagd. Zij heeft in hoger beroep, ook nadat haar daarnaar ter zitting was gevraagd, niet aangevoerd dat haar herzieningsverzoeken (anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld) waren gebaseerd op een betoog in de boeteprocedures dat het hanteren van geheime marges ontoelaatbaar is, of dat de aan de boetes ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest onjuist is. Gelet hierop kan het beroep van de maatschap op artikel 6 van het EVRM niet leiden tot de conclusie dat sprake is van evidente onredelijkheid. Het College ziet daarom geen reden om tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraken van 7 december 2021 (hiervoor aangehaald onder 4) en van 6 december 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:788).
7.5
Het College volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat de afwijzing van de herzieningsverzoeken niet evident onredelijk is.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:434