CBb 26 augustus 2025, ECLI:NL:CBB:2025:437 – Handhavingsverzoek vraagt om boete – dus wordt getoetst of “buiten redelijk twjifel” is dat overtreding is begaan.

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 26 augustus 2025

Datum publicatie: 26 augustus 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:437

Fragment:

5.4
Het College stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de handhaving die de Stichting heeft verzocht het opleggen van een bestuurlijke boete aan Staatsbosbeheer op grond van artikel 8.7 in samenhang met artikel 8.6, eerste lid, onder a van de Wet dieren behelst. Het College stelt verder voorop dat de bewijslast van een overtreding rust op het bestuursorgaan dat de boete kan opleggen. Voordat een boete kan worden opgelegd, moet het bestuursorgaan buiten redelijke twijfel hebben vastgesteld dat een overtreding is begaan. Dat is een hoge bewijsmaatstaf. Voor bestraffende sancties, zoals een boete, gelden namelijk de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat betekent in dit geval dat de minister enkel een boete kon opleggen aan Staatsbosbeheer nadat hij buiten redelijke twijfel had vastgesteld dat Staatsbosbeheer een overtreding heeft begaan.

5.5.1
De stelling dat er op 21 september 2022 merries vervoerd zijn waarvan de draagtijd al voor 90% of meer gevorderd was, heeft de Stichting alleen onderbouwd voor zover het het vervoer van [naam 5] betreft. Daar zal het College in 5.5.2 op ingaan. Ten aanzien van andere merries in dat transport, geldt het volgende. Wat er ook zij van de betekenis van de hierboven aangehaalde uitspraak van het College van 27 september 2022 voor de keuring na slacht van in het wild levende paarden, met name ten aanzien van de bewijskracht van de keuring na slacht, kan uit hetgeen door de Stichting is aangevoerd niet worden afgeleid dat een overtreding van de 90%-norm heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het College is de minister daarom terecht niet tot de door de Stichting gevraagde handhaving overgegaan voor zover het andere merries dan [naam 5] betreft.

5.5.2
Ten aanzien van het vervoer van [naam 5] , overweegt het College het volgende. Het College volgt de minister in zijn standpunt dat de door de Stichting overgelegde data van einde dracht van [naam 5] en de bijgevoegde foto’s onvoldoende zijn om ervan uit te gaan dat het hier gaat om vervoer van een merrie waarvan de draagtijd al voor 90% of meer gevorderd was. Op de foto’s is dat niet buiten redelijke twijfel te zien, en ook uit de data van einde dracht van [naam 5] kan, zoals Staatsbosbeheer heeft toegelicht, niet buiten redelijke twijfel worden afgeleid dat haar draagtijd op 21 september 2022 al voor 90% of meer gevorderd was. De Stichting heeft ook niet toegelicht hoe op de foto’s te zien zou zijn dat [naam 5] in de laatste 10% van de draagtijd zat. De omstandigheid dat, zoals uit het VKI-formulier en de slachtlijst blijkt, [naam 5] direct ter destructie is bestemd en, zoals ter zitting is verduidelijkt, geen levende en geslachte keuring heeft ondergaan, maakt niet dat de conclusie anders moet luiden. Het betekent slechts dat de uitkomst van de navraag van de toezichthouder van de NVWA bij het slachthuis geen betrekking had op [naam 5] . Nu de destructie van [naam 5] ten tijde van het handhavingsverzoek al was voltooid, kon niet meer worden vastgesteld wat haar status was bij het vervoer op 21 september 2022. Navraag doen bij het slachthuis was het enig mogelijke onderzoek gezien het moment van het handhavingsverzoek en dat heeft de NVWA gedaan. Naar het oordeel van het College is de minister ook terecht niet tot de door de Stichting gevraagde handhaving overgegaan voor zover het het paard [naam 5] betreft.

5.5.3
De Stichting heeft na afloop van de zitting verzocht de behandeling van de zaak te heropenen, omdat zij eerder niet bekend was met deze op de zitting verduidelijkte gang van zaken rondom de levensbeëindiging van [naam 5] . Het College overweegt dat deze informatie al in het bestreden besluit is opgenomen. Daarin is vermeld dat twee van de paarden direct ter destructie waren bestemd, omdat zij niet geschikt waren voor menselijke consumptie, en dat [naam 5] één van die twee paarden was (pagina 2 van het bestreden besluit). Op de zitting is inderdaad pas verduidelijkt dat dit betekent dat [naam 5] geen levende en geslachte keuring heeft ondergaan. Hoewel de minister deze gang van zaken eerder met de Stichting had kunnen communiceren, heeft het College hierin geen aanleiding tot heropening gezien. De informatie is namelijk niet relevant voor het uiteindelijke oordeel in deze zaak, omdat de toezichthouder van de NVWA, zoals hiervoor onder 5.5.2 toegelicht, onder deze omstandigheden geen ander onderzoek had kunnen doen dan hij heeft gedaan.

5.5.4
Tot slot overweegt het College dat de andere zaken waar de Stichting naar verwijst niet relevant zijn voor het hier voorliggende besluit. Andere gevallen waarop het handhavingsverzoek niet ziet, spelen daarbij geen rol. Het College zal wat de Stichting heeft aangevoerd over andere zaken daarom niet bespreken.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:437