CBb 26 mei 2026, ECLI:NL:CBB:2026:225 – In beroep legt ACM een andere bepaling aan afwijzing handhavingsverzoek ten grondslag. Dat vindt CBb aanvaardbaar in dit geval, nu strekking normen ongeveer hetzelfde is (dat er geen overtreding is als er sprake is van staatsteun).
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 26 mei 2026
Datum publicatie: 26 mei 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:225
Beoordeling van de tweede hogerberoepsgrond
6.1
AVR betoogt in haar tweede hogerberoepsgrond dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 7:11 van de Awb door het bepaalde in artikel 25j, derde lid, aanhef en onder b, van de Mw mee te nemen bij de beoordeling, terwijl de ACM zich pas in beroep bij de rechtbank op die bepaling heeft beroepen. Volgens haar is die bepaling een heel andere dan artikel 25h, vierde lid, van de Mw, waarnaar in het bestreden besluit wel wordt verwezen.
6.2
Bij de beoordeling van deze hogerberoepsgrond stelt het College voorop dat de afwijzing van het handhavingsverzoek zowel in het besluit van 19 augustus 2022 als in het bestreden besluit is gebaseerd op het ten tijde van de besluitvorming geldende prioriteringsbeleid van de ACM. Dat prioriteringsbeleid gaat over de vraag of de ACM een volledig handhavingsonderzoek zal starten. Daartoe voert de ACM eerst een initieel inventariserend onderzoek uit. De ACM toetst hierbij aan drie criteria:
hoe schadelijk is het gedrag waarop het verzoek of het signaal ziet voor de consumentenwelvaart;
hoe groot is het maatschappelijk belang bij het optreden van de ACM;
in hoeverre is de ACM in staat doeltreffend en doelmatig op te treden.
Het prioriteringsbeleid is geen optelsom. Een verzoek om handhaving of signaal hoeft niet “hoog” te scoren op alle criteria voordat een handhavingsonderzoek zal worden opgestart. Vaak zal er aanleiding zijn om een volledig handhavingsonderzoek uit te voeren wanneer er een hoge score is op meer dan één criterium. Aan de andere kant, op basis van een lage(re) score bij één criterium, kan de ACM al concluderen dat een volledig handhavingsonderzoek (op dat moment) niet is aangewezen.
6.3
Met het bestreden besluit heeft de ACM besloten geen volledig handhavingsonderzoek uit te voeren, omdat zij niet in staat is doeltreffend en doelmatig op te treden. De ACM heeft daarbij een volledige heroverweging verricht en eerder ingenomen standpunten deels teruggenomen. Ook heeft de ACM bij de heroverweging wettelijke bepalingen van de Wet Markt en Overheid en het Europeesrechtelijk staatssteunkader betrokken. Dat laat onverlet dat de grond voor afwijzing van het handhavingsverzoek in het bestreden besluit dezelfde is als in het afwijzingsbesluit, namelijk dat (nader) onderzoek naar een (eventuele) overtreding volgens het prioriteringsbeleid geen prioriteit heeft. De rechtbank heeft dit gezien overweging 11 van haar uitspraak onderkend en de handelwijze van de ACM terecht niet in strijd geacht met de in artikel 7:11 van de Awb neergelegde regel dat het bestuursorgaan bij de beslissing op bezwaar een volledige heroverweging verricht. In deze overweging valt niet te lezen dat de rechtbank daarmee heeft willen toestaan dat de ACM in beroep aanvullende argumenten aanvoert ter onderbouwing van haar standpunt in het bestreden besluit dat een nader onderzoek in deze zaak niet doelmatig is. De hogerberoepsgrond van AVR dat de rechtbank hier een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 7:11 van de Awb slaagt dus niet.
6.4
Dat de rechtbank de aanvullende argumenten van de ACM heeft betrokken in haar beoordeling is uit de rest van de uitspraak duidelijk en is toelaatbaar. Voor zover AVR met haar hogerberoepsgrond hierop (mede) het oog heeft gehad, slaagt die ook in dat opzicht niet. Aan AVR kan op zichzelf worden toegegeven dat de ACM ter onderbouwing van haar standpunt in beroep voor het eerst heeft verwezen naar artikel 25j, derde lid, aanhef en onder b, van de Mw in plaats van of in aanvulling op het in het bestreden besluit genoemde artikel 25h, vierde lid, van de Mw. Mede in aanmerking genomen dat in beide bepalingen ligt besloten dat de Wet Markt en Overheid niet van toepassing is als het gaat om staatssteun als bedoeld in het VWEU, leidt dit echter niet tot de conclusie dat de rechtbank buiten de grondslag van het geschil is getreden en ook niet dat sprake is van een ontoelaatbare aanvulling van de motivering van het bestreden besluit, dat strekt tot afwijzing van het handhavingsverzoek omdat (nader) onderzoek geen prioriteit heeft. Gelet hierop ziet het College ook geen aanleiding om, zoals AVR heeft bepleit, de aanvullende argumenten en het daarin betrokken artikel 25j, derde lid, van de Mw buiten beschouwing te laten.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:225