CBb 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:181 – Bewijslastverdeling Msw. Landbouwer moet op grond van de Msw zelf aannemelijk maken dat hij norm niet overschrijdt, maar dat neemt niet weg dat BO bewijslast bij boete draagt. Legaliteitsbeginsel staat hier niet aan in de weg.

Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 28 april 2026

Datum publicatie: 28 april 2026

ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:181

Toetsingskader

4 Zoals de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen, ligt de materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van gebruiksnormen volgens het systeem van de Msw primair bij degene die de meststoffen in de bodem brengt of laat brengen ( [naam] ). De grote kamer van het College heeft op 26 oktober 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:343, onder 7.2.1 sub 1) uitspraak gedaan over de bewijsmaatstaf bij een boete voor overschrijding van de gebruiksnormen. Uit de artikelen 7 en 8 van de Msw en de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen)” (Kamerstukken II 2004/05, 29 930, nr. 3, blz. 67-72 en 112-113) blijkt dat het gebruiksnormensysteem uitgaat van een algeheel verbod van het op of in de bodem brengen van meststoffen (mestgebruik). Een landbouwer kan alleen aan dit verbod ontkomen door bij zijn mestgebruik geen van de in artikel 8 van de Msw bedoelde gebruiksnormen te overschrijden. Om een geslaagd beroep op de opheffing van het verbod te kunnen doen, moet hij feiten stellen en bewijs aandragen die aannemelijk maken dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. De wet regelt niet alleen aan de hand van welke elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar verplicht de landbouwer ook een administratie te voeren en over te leggen van de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf. Het voorgaande neemt niet weg dat de landbouwer met ander bewijs aannemelijk kan maken dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Dat bewijs moet wel voldoende onderbouwd en betrouwbaar zijn. Dat de landbouwer zelf aannemelijk moet maken dat hij de gebruiksnormen niet overschrijdt, neemt niet weg dat de minister, als hij een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden moet aantonen dat de landbouwer de gebruiksnormen heeft overschreden.

Stikstofcorrectie

5.1
Het College oordeelt dat [naam] met de door hem overgelegde berekening, gebaseerd op de NP-methode, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de stikstofvervluchtiging op zijn bedrijf groter is dan waarmee in de BEX-berekening rekening is gehouden. Hiertoe overweegt het College als volgt.

5.2
De op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kg stikstof en fosfaat, wordt in beginsel bepaald op basis van de in artikel 66 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet opgenomen berekeningsmethoden. Het eerste lid van dit artikel ziet op de berekening bij graasdieren niet zijnde melkkoeien, het tweede lid heeft betrekking op melkkoeien en het derde lid ziet op staldieren. In de wettelijk vastgestelde excretieforfaits bij graasdieren is al rekening gehouden met stikstofverliezen en wordt er geen extra stikstofcorrectie toegepast. Voor de berekening van de stikstofvervluchtiging bij staldieren heeft de minister in paragraaf 5.1.4.4 van het Boetebeleid een rekenmethode opgenomen, gebaseerd op de NP-methode. Bij [naam] is de mestproductie van het melkvee, in afwijking van artikel 66, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit, bepaald aan de hand van de BEX-berekening, dus gebaseerd op gegevens van het bedrijf zelf. In de BEX-berekening is een bedrijfsspecifieke correctief opgenomen voor stikstofvervluchtiging bij melkvee (stap 5 van de BEX).

5.3
Op grond van de vrije bewijsleer kan [naam] aannemelijk maken dat de correctie in de BEX-berekening in zijn specifieke geval een te laag vastgestelde stikstofvervluchtiging oplevert. Hierin is [naam] niet geslaagd. In de alternatieve berekening die [naam] daartoe heeft overgelegd, heeft hij de vijfde stap in de BEX-berekening vervangen door een berekening aan de hand van de NP-methode. [naam] heeft voor die berekening aangesloten bij de berekeningswijze zoals neergelegd in paragraaf 5.1.4.4 van het Boetebeleid. Maar die berekeningswijze ziet op stikstofvervluchtiging bij staldieren, terwijl [naam] graasdieren (melkvee) houdt. [naam] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem voorgestane toepassing van de NP-methode in de (vijfde stap van de) BEX-berekening voor bepaling van de (correctie op de) bedrijfsspecifieke mestproductie van het melkvee geschikt en wetenschappelijk aanvaard is. De verwijzing van [naam] naar algemene wetenschappelijke rapporten biedt daarvoor geen onderbouwing. De stelling van [naam] dat op dezelfde wijze als bij staldieren een extra stikstofcorrectie moet worden toegepast omdat anders sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Zoals het College vaker heeft overwogen worden er verschillende berekeningswijzen toegepast bij graasdieren, staldieren en melkkoeien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2023, ECLI:NL:2023:724). Er is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Een beroep op het protocol stikstofgat kan [naam] evenmin baten omdat dit protocol nog niet is vastgesteld.1

Legaliteitsbeginsel

6.1
[naam] doet een beroep op het bepaalbaarheidsgebod zoals neergelegd in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit artikel, het zogenoemde legaliteitsbeginsel of lex certa-beginsel, verlangt van de wetgever dat hij met het oog op de rechtszekerheid op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedraging omschrijft. Dat vereist in ieder geval dat de invulling van een wettelijke bepaling voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar dient te zijn. Dit betekent ook dat voorzienbaar dient te zijn onder welke omstandigheden in strijd wordt gehandeld met een bepaling. Op zitting heeft [naam] toegelicht dat zijn betoog niet zozeer is gericht op de voorzienbaarheid van de boete, maar op de invulling van de toepassing van de vrije bewijsleer omdat niet duidelijk is welke bewijzen de minister nodig heeft.

6.2
Het College volgt [naam] hierin niet. Zoals het College hiervoor in 4 heeft overwogen kan de veehouder met ander bewijs, mits voldoende onderbouwd en betrouwbaar, aannemelijk maken dat hij de gebruiksnormen niet heeft overschreden. Het College gaat ervan uit dat het betoog van [naam] over de onduidelijke invulling van de vrije bewijsleer ziet op deze mogelijkheid. Aan die mogelijkheid is inherent dat de veehouder het benodigde bewijs met alle mogelijke middelen mag leveren (voor zover de wet niet anders bepaalt), en dat daarbij onduidelijk kan zijn hoe de minister of de bestuursrechter de gebruikte bewijsmiddelen zal waarderen in het kader van de beoordeling of de veehouder een gebruiksnorm al dan niet heeft overschreden en dus of dat bewijs toereikend is. Dit betekent, mede gelet op wat verder in 4 is overwogen over de bewijsmaatstaf bij een boete voor overschrijding van de gebruiksnormen, echter niet dat onvoldoende duidelijk, bepaald en kenbaar is wat de op grond van het wettelijke gebruiksnormenstelsel verboden gedraging is en onder welke omstandigheden daarmee in strijd wordt gehandeld. Het beroep op genoemd beginsel slaagt daarom niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:181