CBb 3 februari 2026, ECLI:NL:CBB:2026:42 – Schending RIP-verbod door wijziging bij BOB ten nadele van bezwaarmaker? Nee – in dit geval dwingt EU recht tot aanpassing, dus mocht/moest Minister in BOB afwijken ten nadele van bezwaarmaker.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Datum publicatie: 3 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:42
Fragment:
2.1
De landbouwer betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het verbod op reformatio in peius is genomen. Gezien de omvang en aard van de wijzigingen die de minister in de bezwaarfase heeft doorgevoerd, was de verleende reactietermijn van zeven dagen voor de landbouwer onvoldoende om gemotiveerd te reageren op de nieuwe bevindingen. De landbouwer vindt dat hij hierdoor in zijn verweermogelijkheden is geschaad en daarom mocht de minister de betaling niet op een lager bedrag vaststellen dan in het besluit van 23 december 2022. De landbouwer voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Daaruit wordt niet duidelijk of de minister er bij de berekening van de verlaging van uit is gegaan dat sprake is van een herhaalde overtreding van de landbouwer.
2.2
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.1
Over het beroep op schending van het verbod op reformatio in peius overweegt het College dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de minister in de bezwaarschriftprocedure wijzigingen ten nadele van de indiener aanbrengt als de bevoegdheid daartoe ook buiten het kader van die procedure bestaat. In dit geval volgt de vaststelling van de betaling uit de toepassing van artikel 46, eerste lid van Verordening (EU) nr. 1307/2013 in samenhang met artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014. De minister is bevoegd en gehouden deze bepalingen toe te passen, los van de heroverweging op het bezwaar. Wel moet worden gewaarborgd dat de belanghebbende daarbij niet in zijn verweermogelijkheden wordt geschaad. Vergelijk (onder 6.3 van) de uitspraak van het College van 18 februari 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:101).
3.2
Het betoog van de landbouwer dat hij in zijn belangen is geschaad omdat de minister hem een te korte termijn heeft verleend om te reageren op de nieuwe bevindingen in bezwaar, slaagt niet. Niet aannemelijk is geworden dat de reactietermijn onvoldoende was om gemotiveerd te reageren op die nieuwe bevindingen. Uit de notitie van het telefoongesprek waarin een medewerker van de minister de gemachtigde van de landbouwer in kennis heeft gesteld van de nieuwe bevindingen, blijkt dat zij in onderling overleg de lengte van de reactietermijn hebben afgesproken. Als de landbouwer die termijn alsnog te kort had gevonden, had het op zijn weg gelegen om de minister om verlenging van die termijn te vragen. Dat heeft hij niet gedaan. Overigens heeft de landbouwer in deze beroepsprocedure de gelegenheid gehad om alsnog gemotiveerd op te komen tegen de verlaging van de betaling, maar hij heeft geen inhoudelijke gronden daarover naar voren gebracht.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:42
Leave a Reply