CBb 3 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:80 – Boete van 100,- dus geen horen of boeterapport – ook niet als boete Unierechtelijke grondslag heeft.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 3 maart 2026
Datum publicatie: 3 maart 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:80
Fragment:
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3.1
De intermediair heeft aangevoerd dat sprake is van schending van het legaliteitsbeginsel, dat de minister haar eerst een waarschuwing had moeten geven, dat het later aanleveren van een mestmonster geen invloed heeft op de mestketen, dat sprake is van schending van het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel, dat sprake is van schending van het verbod op reformatio in peius omdat het aantal overtredingen is verhoogd van 36 naar 38 en dat het boetebesluit en het bestreden besluit onjuist zijn ondertekend. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend.
3.2
Het College stelt vast dat wat de intermediair in hoger beroep heeft aangevoerd, in essentie een herhaling is van de gronden die de intermediair in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze beroepsgronden ingegaan. De intermediair heeft geen redenen aangevoerd waarom deze overwegingen van de rechtbank onjuist of onvolledig zouden zijn. Het College kan zich vinden in het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.1 tot en met 2.4, en neemt deze over. Het College voegt daaraan nog het volgende toe.
3.3
De gronden die de intermediair heeft aangevoerd over de schending van het legaliteitsbeginsel, het geven van een aan de boete voorafgaande waarschuwing en de ondertekening van het bestreden besluit, heeft de intermediair ook aangevoerd in zaak 24/591 (ECLI:NL:CBB:2026:63), waarin het College vandaag uitspraak doet. Ter aanvulling van wat de rechtbank heeft overwogen, verwijst het College naar zijn uitspraak in zaak 24/591 onder respectievelijk 7.1 en volgende, 5.1 en volgende en 8.1 en volgende.
3.4.1
De intermediair heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat het later aanleveren van een mestmonster geen invloed heeft op de mestketen, en dat het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel is geschonden omdat het boetebesluit niet is onderbouwd met stukken waaruit de overtredingen blijken en de intermediair niet voorafgaand aan het opleggen van de boete is gehoord.
3.4.2
Het College verwijst voor de grond over de invloed van het later aanleveren van een mestmonster op de mestketen naar zijn uitspraak in zaak 24/591 onder 7.5.
3.4.2
Over de grond over het verdedigingsbeginsel overweegt het College als volgt. Uit het boetebesluit blijkt voldoende duidelijk voor welke overtredingen de boetes zijn opgelegd. Het boetebesluit vermeldt om welke beschikkingsnummers het gaat, wat de periode is waarin de overtredingen zijn begaan en om welke overtreding het gaat. In bijlage 1 bij het boetebesluit zijn de beschikkingsnummers, VDM-nummers, data van het bemonsteren en de verzend- en ontvangstdata van de monsters terug te vinden.
3.4.3
Uit artikel 5:53, eerste en tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat in dit geval geen rapport behoefde te worden opgemaakt nu per overtreding een boete van € 100,-, dus minder dan het in artikel 5:53, eerste lid, genoemde bedrag van € 340,-, kan worden opgelegd. Uit artikel 5:53, derde lid, van de Awb vloeit voort dat de intermediair om dezelfde reden, het opleggen van een boete lager dan € 340,-, niet in de gelegenheid behoefde te worden gesteld een zienswijze naar voren te brengen (zie de uitspraak van het College van 12 januari 2021, ECLI:NL:CBB:2021:28, onder 6.2). De intermediair heeft daarbij ook niet toegelicht waarom zij in haar belangen is geschaad doordat geen rapport is opgemaakt en zij geen zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Van schending van het (Unierechtelijke) verdedigingsbeginsel is geen sprake.
3.5
Het College stelt vast dat de minister tijdens het beroep bij de rechtbank een herziene beslissing op bezwaar (het bestreden besluit 2) heeft genomen. De rechtbank heeft geen toepassing gegeven aan artikel 6:19 van de Awb in die zin dat zij geen oordeel heeft gegeven over het beroep tegen het bestreden besluit 1. Het College zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen. Niet is gebleken dat de intermediair nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit 1. Het beroep tegen dat besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal het College het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:80