CBb 30 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:199 – Brief waarmee NVWA voorwaarden stelt voor teruggave met bestuursdwang meegevoerde schapen is geen besluit, maar een brief over feitelijke handelingen = naar de civiele rechter.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 30 april 2026
Datum publicatie: 6 mei 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:199
2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet mogelijk is het onderzoek in zaak 26/184 te heropenen, omdat in die zaak reeds uitspraak is gedaan. Het verzoek om heropening kan dan ook niet worden ingewilligd.
3 Het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe de voorwaarden in de voorwaardenbrief te schorsen, dan wel de daarin opgenomen termijn om de betaling te doen voor teruggave van de schapen te verlengen. Verder bevat het verzoekschrift overige verzoeken, bijvoorbeeld om de minister te gelasten inzage te verlenen in digitale bestanden.
4 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de voorwaardenbrief geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaan.1 De brief bevat de voorwaarden waaronder de minister bereid is de schapen terug te geven, waartoe in het bijzonder de voorwaarde is gesteld dat verzoekers de geschatte kosten van bestuursdwang betalen. Daarmee is de brief niet op enig rechtsgevolg gericht. Veeleer gaat het hier om een beslissing van de minister over feitelijk handelen, te weten de teruggave van de dieren. Daartegen kan niet bij de bestuursrechter worden opgekomen. Een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang worden vastgesteld als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb is nog niet genomen.
5 Voor zover verzoekers hebben bedoeld het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening in te dienen hangende hun bezwaar tegen de last van 19 juni 2025 (zaaknummer 202501089), overweegt de voorzieningenrechter dat het verzoek, blijkens de gronden en de gevraagde voorzieningen, geen betrekking heeft op de in bezwaar bestreden last, maar op de voorwaardenbrief. In zoverre ontbreekt dan ook de vereiste materiƫle connexiteit tussen het verzoek en de bezwaarprocedure.
6 Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Dit geldt ook voor de hiervoor bedoelde overige verzoeken, die immers accessoir zijn aan het verzoek om de voorwaarden in de voorwaardenbrief te schorsen, dan wel de daarin opgenomen betalingstermijn te verlengen. Het verzoek is om deze reden kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaren, zonder partijen in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:199