CBb 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:372 – toerekening overtredingen: werknemer wist van de gedraging en aanvaardde die.

23.1. Ter beoordeling staat of de verweten gedragingen gelet op artikel 5:1, derde lid, van de Awb, aan [naam 3] kunnen worden toegerekend. Zoals het College in de uitspraak van 3 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:200), heeft overwogen, is voor de vraag of toerekening kan plaatsvinden van belang of de gedraging die de overtreding oplevert, heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. De Hoge Raad heeft in het hiervoor genoemde Drijfmest-arrest in dit verband het volgende overwogen:

“Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

– het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

– de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

– de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

– de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.”

23.2. Het College is van oordeel dat ACM de verweten gedragingen aan de hand van bovenstaande criteria aan [naam 12] / [naam 3] heeft kunnen toerekenen. Daartoe overweegt het College het volgende.

23.3. ACM heeft uit de bewijsmiddelen in het dossier terecht geconcludeerd dat [naam 5] operationele werkzaamheden verrichte ten behoeve van [naam 3] , maar ook dat deze werkzaamheden verder reikten dan dat. Er zijn verschillende contacten geweest tussen [naam 5] en [naam 9] over aanvragen van (potentiële) klanten van [naam 12] (en niet van [naam 15] ) voor opslag en verwerking van vruchtensappen en -concentraten. De stelling van [naam 3] dat [naam 5] werkzaam was voor [naam 15] en “ [naam 12] (…) een vehikel [was] waarmee [naam 15] op de markt actief was”, kan het College dan ook niet volgen. [naam 5] bemoeide zich in de e-mails concreet met aanvragen en tarieven, in die zin dat hij prijzen opvroeg of doorgaf. [naam 3] kan daarom ook niet worden gevolgd in haar stelling dat deze contacten (uitsluitend) in het verlengde lagen van contact tussen [naam 15] en [naam 13] over de bouw van vrieshuizen of andere vormen van samenwerking. Ook de inschrijving in het handelsregister vormt een aanwijzing dat [naam 5] wel degelijk werkzaamheden verrichte voor [naam 12] / [naam 3] . Dat deze werkzaamheden volgens die inschrijving beperkt waren doet hieraan niet af.

23.4. Het College is verder van oordeel dat uit de stukken het beeld oprijst dat het binnen [naam 12] / [naam 3] gebruikelijk was dat [naam 5] en [naam 9] contact onderhielden, onder andere over tarieven en het wel of niet hebben ontvangen van aanvragen, en dat [naam 4] en [naam 6] hiervan op de hoogte waren en dit ook accepteerden. Zo bezien pasten de gedragingen binnen de normale bedrijfsvoering van [naam 12] / [naam 3] . Uit de stukken blijkt bovendien dat [naam 5] een enkele keer door [naam 4] of [naam 6] is verzocht contact op te nemen met [naam 9] (bijvoorbeeld met betrekking tot [naam 22] ). De stelling van [naam 3] dat de verweten gedragingen een zelfstandig handelen van [naam 5] inhielden, volgt het College dan ook niet. Dit strookt ook niet met de eigen verklaring van [naam 5] van 2 juli 2013, waar hij zegt te zijn ingezet als doorgeefluik omdat hij goed contact had met [naam 9] , en dat hij nooit op eigen initiatief handelde. De contacten gingen daarnaast over (potentiële) klanten voor [naam 12] en passen zodoende ook in dat opzicht binnen de normale bedrijfsvoering van [naam 12] / [naam 3] .

23.5. ACM stelt voorts terecht dat [naam 12] / [naam 3] haar bedrijfsvoering op de uitgewisselde informatie en afgestemde tarieven heeft kunnen aanpassen, bijvoorbeeld bij het uitbrengen van offertes. Dat het volgens [naam 3] om een verwaarloosbaar aantal offertes gaat, doet hier, wat daar verder ook van zij, niet aan af.

23.6. Verder heeft ACM met de verschillende e-mails en verklaringen aangetoond dat [naam 4] en [naam 6] van de gedragingen op de hoogte waren en in een enkel geval ook zelf initiatief tot de gedragingen hebben genomen, door [naam 5] te verzoeken navraag te doen bij [naam 9] . ACM stelt daarom terecht dat de commercieel bevoegde personen bij [naam 12] / [naam 3] van de gedragingen afwisten en deze situatie hebben aanvaard. Nergens blijkt uit dat zij deze gedragingen hebben willen voorkomen of zich hiervan hebben gedistantieerd, terwijl dit, gelet op hun rol bij [naam 12] / [naam 3] , wel van hen had mogen worden verwacht.

23.7. Het College komt dan ook tot de slotsom dat het betoog van [naam 3] , dat de gedragingen haar niet kunnen worden toegerekend, niet slaagt.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2021:372