CBb 6 mei 2026, ECLI:NL:CBB:2026:191 – Fout in boeterapport (adres klopt niet). In bezwaar al hersteld door minister. Rechtbank heeft dus ten onrechte vernietigd.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Datum publicatie: 6 mei 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:191
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3.1
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister meent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb en daarom ook ten onrechte heeft bepaald dat de minister het betaalde griffierecht moet vergoeden en de staatsecretaris ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
3.2
De minister voert aan dat voor zowel de rechtbank, de minister, als de onderneming duidelijk is waar de inspectie heeft plaatsgevonden. De wijze waarop de omissie ten aanzien van het inspectieadres in de bezwaarfase aan de orde is geweest getuigt juist van een zorgvuldige behandeling, zeker nu de onderneming in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. De vaststelling dat er sprake is van een kennelijke verschrijving, had moeten leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van een gebrek. De rechtbank gaat er in de uitspraak volledig aan voorbij dat niet het boetebesluit, maar de beslissing op bezwaar ter toetsing voorlag. Als er al sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, dan is dat met de beslissing op bezwaar hersteld.
4 De onderneming stelt in haar reactie dat er geen sprake is van een kennelijke verschrijving, maar van een grove onzorgvuldigheid doordat de minister een volstrekt onjuist rapport aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Tijdens de zitting bij de rechtbank is bovendien gebleken dat het rapport van bevindingen meerdere onjuistheden bevat. Het zorgvuldigheidsgebrek is dan ook niet met de beslissing op bezwaar al hersteld.
5.1
Het College stelt vast dat de rechtbank in 5.1.4 van haar uitspraak heeft geconcludeerd dat het boetebesluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoont, doordat in het rapport van bevindingen een adres is opgenomen waar de controle niet heeft plaatsgevonden. De minister voert in hoger beroep terecht aan dat bij de rechtbank niet het boetebesluit, maar het bestreden besluit ter toetsing voorlag. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister zelf in bezwaar al had geconstateerd dat er een onjuist adres in het rapport stond. Dit is tijdens de hoorzitting aan de orde geweest en vervolgens is in het bestreden besluit ook toegelicht hoe deze fout in het rapport en boetebesluit terecht is gekomen. Voor zover er sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, is dat dan ook met het bestreden besluit hersteld. Van een gebrek in het bestreden besluit is geen sprake. Omdat de onderneming geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het College niet ingaan op haar stelling dat het rapport van bevindingen nog meer onjuistheden bevat.
5.2
Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De minister hoeft daarom niet het door de onderneming in beroep betaalde griffierecht aan haar te vergoeden en is ten onrechte veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beroep van de onderneming. Het hoger beroep slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de minister het griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:191