CBb 7 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:139 – Dat rund “uitzonderlijk wild en gek was” geen reden om geen verwijt te kunnen maken dat rund is ontsnapt .

Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 7 april 2026

Datum publicatie: 7 april 2026

ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:139

Hoogte van de boete

6.1
In artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit handhaving, in samenhang gelezen met artikel 1.2 en de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren, is de boete voor een overtreding als hier aan de orde vastgesteld op € 2.500,-. De minister heeft het boetebedrag overeenkomstig deze bepaling vastgesteld.

6.2
Het College volgt de slachterij niet in haar betoog dat de boete verlaagd had moeten worden omdat het dierenwelzijn niet in het geding is geweest. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving wordt het boetebedrag gehalveerd als de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor het dierenwelzijn gering zijn of ontbreken. In dit geval is niet gebleken dat deze risico’s en gevolgen gering of afwezig waren. Het rapport van bevindingen beschrijft dat het dier zich niet rustig liet terugvoeren naar het slachthuisterrein, maar dat de tussenkomst van de politie en een dierenarts nodig was om het rund te verdoven en eenmaal bedwelmd te kunnen slachten. Het College volgt de minister dus in zijn stelling dat het ontsnappen en vangen stressvol voor het rund is geweest, waardoor het dierenwelzijn is geschaad. Hiertegen heeft de slachterij tevergeefs ingebracht dat het rund dezelfde dag is geslacht en dat het vlees niet is afgekeurd, wat wel zou zijn gebeurd als het rund stress had gehad omdat in dat geval de pH-waarde (de zuurgraad) van het vlees te hoog zou zijn geweest. Hiermee wordt aan de hiervoor vermelde omstandigheden namelijk niet afgedaan. Daar komt bij dat van de zijde van de minister tijdens de zitting onbetwist is verklaard dat het vlees van dit rund wel is afgekeurd, met de reden dat het door de verdoving niet meer geschikt was voor consumptie. In het rapport van bevindingen is ook vermeld dat het rund voor destructie was bestemd en als zodanig zou worden afgevoerd.

6.3
De slachterij heeft verder aangevoerd dat sprake is geweest van overmacht omdat het geëxciteerde rund uitzonderlijk wild en gek was. De opgelegde boete is daarom volgens de slachterij buitensporig. Voor zover de slachterij hiermee betoogt dat haar geen verwijt valt te maken van de overtreding, volgt het College dit niet. Ook ziet het College geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De slachterij heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar niet kan worden verweten dat het geëxciteerde rund is ontsnapt. De stelling dat dit rund door hekken zou zijn gebroken, andere runderen zou hebben aangevallen en met een verdovingsgeweer gekalmeerd moest worden, en dat de slachterij jaarlijks 40.000 dieren heeft verwerkt die niet zijn ontsnapt, is daarvoor onvoldoende. Hiermee heeft de slachterij niet onderbouwd dat de tegen ontsnapping getroffen voorzieningen voldoende waren en correct werden gebruikt. Het College betrekt hierbij dat de slachterij op grond van artikel 15, eerste lid, van Verordening 1099/2009 verplicht is te “waarborgen” dat dieren niet kunnen ontsnappen, en dat de slachterij in het verleden vaker is beboet voor ontsnapte runderen.

Er is dan ook geen sprake van een incident, zoals de slachterij betoogt. Ook de verwijzing naar de verklaring van het slachthuispersoneel die in het rapport van bevindingen is opgenomen, kan de slachterij niet baten. Die verklaring houdt niet meer in dan dat het rund uit de wachtruimte was ontsnapt en door de omheining was gebroken.

6.4
Op de zitting heeft de slachterij het betoog dat zij onvoldoende financiële draagkracht heeft om de boete te betalen, ingetrokken. Het College komt daarom niet toe aan een bespreking van deze hoger beroepsgrond.

6.5
De conclusie is dat de hoger beroepsgronden over de hoogte van de boete niet slagen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:139