CBb 9 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:450 – Familie verbalisant leeft in onmin met familie overtreder. Onvoldoende reden om vooringenomenheid aan te nemen.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 9 september 2025
Datum publicatie: 9 september 2025
ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:450
Fragment:
Beoordeling door het College
4.1
De maatschap betwist de bevindingen in het proces-verbaal. Zij stelt dat de brigadier die het proces-verbaal heeft opgesteld bevooroordeeld was tegenover de loonwerker. Uit de foto’s in het proces-verbaal en de foto’s die de minister later heeft ingezonden, valt volgens de maatschap niet op te maken dat op het grondoppervlak mest zichtbaar was. Het ging om spoelwater en voor de aanwezigheid van mest in dit spoelwater is geen bewijs. Dat de brigadier een mestgeur waarnam is niet voldoende, omdat de bron daarvan niet is bepaald. Verder wijst de maatschap er nogmaals op dat de (strafrechtelijke) boete die aan de loonwerker was opgelegd voor dit incident, is geseponeerd. Op de zitting heeft de maatschap nog aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de verhouding tussen de totale oppervlakte van het bedrijf en de omvang van het perceel waar het hier om gaat. Voor een bedrijf met een kleiner oppervlak heeft dezelfde overtreding veel minder grote gevolgen. In dit geval is de korting onevenredig.
4.2
De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.3
Het College stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de bevindingen in een proces-verbaal van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het proces-verbaal zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het proces-verbaal zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. Als het proces-verbaal, zoals in dit geval, niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, komt aan de in het proces-verbaal vermelde feiten en omstandigheden daarmee minder bewijskracht toe, dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dit betekent evenwel niet dat de minister zijn besluit niet (uitsluitend) op dat proces-verbaal mocht baseren.
4.4
Het College ziet in wat de maatschap aanvoert over de brigadier die het proces-verbaal heeft opgesteld geen aanleiding voor twijfel aan de daarin opgenomen bevindingen. De enkele stelling dat sprake zou zijn van onmin tussen de families van de brigadier en van de loonwerker en dat het te denken geeft dat de brigadier de voertuigen van de loonwerker zag rijden en vervolgens op zoek is gegaan naar de plaats waar de werkzaamheden werden uitgevoerd, vindt het College niet voldoende. Ook de opmerkingen die de brigadier richting de maatschap zou hebben gemaakt over de aansprakelijkheid van de loonwerker duiden voor het College niet op vooringenomenheid van de brigadier.
4.5
Het College volgt de maatschap ook niet in haar inhoudelijke betwisting van de bevindingen. Volgens de maatschap is op de foto’s spoelwater te zien en geen mest, maar dit wordt weersproken door de verklaringen van [naam 2] en [naam 4] , die hiervoor zijn weergegeven. Zij erkennen dat de mest niet goed was ondergewerkt.
4.6
Het sepot van de boete die aan de loonwerker was opgelegd wegens het opzettelijk onjuist aanwenden van meststoffen vormt naar het oordeel van het College geen belemmering om de randvoorwaardenkorting op te leggen aan de maatschap. Het sepot betreft het handelen van de loonwerker. Het gaat hier om de randvoorwaardenkorting ten aanzien van de maatschap. De minister hoefde hierin geen aanleiding te zien voor nader onderzoek.
4.7
Het College volgt de minister in zijn standpunt dat de niet-naleving met opzet is begaan. Er is geen toezicht gehouden op de loonwerker en daarmee heeft de maatschap bewust het risico genomen dat de mest onjuist is uitgereden.
4.8
Het beroep van de maatschap op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Uit artikel 40 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014) volgt dat de hoogte van de randvoorwaardenkorting in de regel 20% bedraagt wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan. Hierbij is geen ruimte gelaten voor een belangenafweging (zie de uitspraak van het College van 1 oktober 2024, ECLI:NL:CBB:2024:667, in 7.4).
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:450