Rb. Amsterdam 6 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:684 – rechtbank matigt bestuurlijke boete met (ca.) 25% omdat “de rechtbank de overtuiging ontstaan dat er van de zijde van eiser geen kwade opzet is geweest en dat eiser ook maatregelen heeft genomen om herhaling van de overtreding zoveel als mogelijk is te voorkomen”

11. In de onderhavige zaak ziet de rechtbank alles afwegende aanleiding om de opgelegde boete enigszins te matigen tot een bedrag van € 9.000,- (€ 3.000,- per slaapkamer). De rechtbank ziet de door verweerder opgelegde boete als de maximaal op te leggen boete. Met name uit hetgeen is aangevoerd en besproken tijdens de terechtzitting is bij de rechtbank de overtuiging ontstaan dat er van de zijde van eiser geen kwade opzet is geweest en dat eiser ook maatregelen heeft genomen om herhaling van de overtreding zoveel als mogelijk is te voorkomen. Eiser heeft daarnaast ook volledig meegewerkt aan het onderzoek en onweersproken is gebleken dat eiser met verweerder heeft samenwerkt ten behoeve van andere woningbouwprojecten. Al deze bijzondere omstandigheden hebben een matigende werking op de mate van verwijtbaarheid. De rechtbank acht het niet redelijk dat eiser onder die omstandigheden een even hoge boete zou moeten betalen als een overtreder waarbij wel sprake is van kwade opzet en/of het ontbreken van schuldbewustheid. Voor een dergelijke overtreder geldt immers dat de gefixeerde maximale boete in de regel wel als evenredig en proportioneel zal worden beschouwd.

Conclusie

12. Gezien hetgeen overwogen in deze uitspraak verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit tot oplegging van de boete voor zover deze boete is bepaald op € 12.570,-.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:684